Menu

De vredesbeweging en Wereldoorlog I - Dienstplicht

Artikelindex

Dienstplicht

De oorlog was een extreme uitdrukking van wedijver tussen nationale kapitalistische grootmachten. Het volledige industriële apparaat werd ingezet voor de bewapening van vlug uitgebouwde massalegers. In tal van landen werd de legerdienst ingevoerd of uitgebreid. In Duitsland bestond al een systeem van algemene legerdienst dat zijn succes bewees tijdens de Duits(Pruisische)-Franse oorlog van 1870/71. Frankrijk, dat zelf al sinds de Franse Revolutie een vorm van legerdienst kende, stemde in 1913 een wet die de driejarige legerdienst invoerde voor mannen vanaf 20 jaar, in een poging om de achterstand tegenover het Duitse leger in te halen. Er kwam zelfs een beperkte legerdienst in de Algerijnse kolonie. Ook België voerde dat jaar de algemene legerdienst in. Het aantal enthousiastelingen dat vrijwillig in dienst trad, nam af naarmate de oorlog zijn gruwelijk gezicht toonde. Tegelijk zorgde het groot aantal gesneuvelden voor een groeiende vraag naar verse troepen. Verschillende landen zagen zich verplicht om de algemene legerdienst in te voeren: Groot-Brittannië (1916), Nieuw-Zeeland (1916), Verenigde Staten (1917), Canada (1917). Alleen in Zuid-Afrika, (bezet) Ierland en Australië kwam er geen algemene legerdienst. In Australië legde premier Hughes (Arbeiderspartij) in oktober 1916 de legerdienst voor in een referendum wat zorgde voor een hevig debat onder bevolking en tot een splitsing in de Arbeiderspartij. De meerderheid van de Australische bevolking stemde neen en zou ook bij een tweede referendum niet van gedacht veranderen. De Britse plannen om de verplichte legerdienst ook in Ierland in te voeren stuitte op hevig Iers verzet en zorgde voor een ongeziene nationale stakingsbeweging. De legerdienst kwam er niet, wat niet wegnam dat er eerder al heel wat Ieren vrijwillig dienst namen.

De dienstplicht zorgde voor miljoenenlegers. In 1914 telde het Britse leger 710.000 manschappen. De propaganda voor vrijwilliger rekrutering en vervolgens de verplichte rekrutering vanaf januari 1916 voor mannen tussen 18 en 41 jaar oud zorgde er voor dat er tegen eind 1918 in totaal 5,7 miljoen mannen dienst namen. Daarnaast werden miljoen arbeiders, mannen en vrouwen, ingezet in de oorlogsindustrie. Het thuisfront werd zo eveneens een militair doelwit. De wapenwedloop creëerde alsmaar moorddadiger wapentuig. De cavalerie werd vervangen door duizenden tanks. De Britse luchtmacht beschikte in 1914 over slechts 63 vliegtuigen. Op 11 november 1918 kon de Royal Air Force rekenen op het machtigste luchtleger ter wereld met 22.647 vliegtuigen. De industrialisering en de massale dienstplicht veranderden het karakter van de oorlog met grote massaslachtingen. Het industrieel kapitalisme lag dus niet alleen aan de basis van de imperiale rivaliteit die tot de oorlog leidde, maar leverde via de massaproductie ook de middelen voor de vernietiging.

Het verzet tegen deze absurde gruwelijke oorlog groeide. De propaganda van de heersende elites om het volk te voeden met vijandbeelden en aan te zetten tot patriottisme kreeg op veel plaatsen te maken met het verzet van de arbeidersklasse die hun klassenbelangen lieten primeren op de nationale haatpropaganda. Vanaf 1917 ging er een golf van protest en revolutie door de militaire rangen. Rusland trok zich na de revolutie van 1917 terug uit de oorlog. Ook Duitsland was in de ban van de revolutionaire geest die kort na de oorlog erg bedreigend werd voor de heersende elite.