Menu

Oorlogsgasten in Nederland tijdens de Eerste Wereldoorlog

 
Evelyn de Roodt
Tijdens de Eerste Wereldoorlog zochten meer dan een miljoen vluchtelingen - militairen en burgers - hun toevlucht tot het neutrale Nederland. Het ging om verschillende categorieën, elk met eigen sociale en politieke status. Zij leefden onder wisselende omstandigheden in Nederland, ingekwartierd of in kampen. Hun verblijf leidde bij de bevolking tot uiteenlopende reacties. Drs. E.U. de Roodt (1947) studeerde sociale wetenschappen aan de Universiteit van Amsterdam. Sinds enkele jaren houdt zij zich bezig met historisch onderzoek. Zij schreef onder meer over de geschiedenis van Rotterdam en over de Eerste Wereldoorlog, met als meest recente publicatie het boek 'Oorlogsgasten'.

Inleiding

Tijdens de Eerste Wereldoorlog was het neutrale Nederland een toevluchtsoord voor een ongekend aantal vluchtelingen en krijgsgevangenen, naar schatting zo'n 1,3 miljoen. De Nederlandse regering was niet voorbereid op de toeloop van zoveel asielzoekers en bovendien was de opvang gecompliceerd, omdat het om heel verschillende categorieën ging. Die hadden elk hun eigen achtergrond en politieke status en vielen daardoor onder vier verschillende departementen die te maken hadden met toelating en opvang. Via veel improviseren kwam het tot een zekere regelgeving, waarbij het handhaven van de neutraliteit een voortdurende bron van politieke zorg was. Verder moest bij alle maatregelen een afweging worden gemaakt tussen verheven humanitaire doelstellingen en het dagelijkse draagvlak in de samenleving.

In deze bijdrage, gebaseerd op het boek Oorlogsgasten[1], zullen de lotgevallen van de verschillende groepen vluchtelingen in Nederland aan de orde komen, waarbij het accent valt op hun leefsituatie en hun verhouding tot de Nederlandse bevolking. (2)

Uitgeweken buitenlandse militairen

Tijdens de gevechtshandelingen in België waar het Duitse leger was binnengevallenen vooral door het beleg van Antwerpen waren zo'n 32.000 Belgische militairen en ook nog eens enige duizenden Britten en Duitsers gedwongen uit te wijken naar Nederlands grondgebied. Daar werden ze prompt geïnterneerd volgens het geldende landonzijdigheidsverdrag: het neutrale Nederland was verplicht te voorkomen dat deze militairen opnieuw aan de strijd zouden gaan deelnemen. In de loop van de oorlog kregen zij gezelschap van bemanningen van getorpedeerde oorlogsschepen en ook van piloten die met hun machines naar Nederland waren uitgeweken. Aanvankelijk werden de buitenlandse militairen ondergebracht in verspreid over Nederland liggende kazernes en tentenkampen, maar al spoedig besloot de Nederlandse regering tot het bouwen van een paar grote interneringskampen. Die waren in principe niet bestemd voor officieren. Die hogere militairen woonden - onder voorwaarde van hun erewoord om niet te ontsnappen - meestal luxueus bij particulieren of in hotels, en genoten daar een grote bewegingsvrijheid. Dat erewoord leverde nog wel wat problemen op omdat de betrokken landen daarvoor eerst geen toestemming wilden geven, waardoor Nederland verplicht was de officieren zolang apart onder te brengen en te bewaken.

De lagere militairen werden overgebracht naar de nieuw opgerichte interneringskampen. De Belgen kwamen terecht in Gaasterland, Zeist, Harderwijk en Oldebroek, de Britten in Groningen en de Duitsers in Bergen (NH). De kampen waren ingericht voor duizenden geïnterneerden en bestonden uit lange rijen slaapbarakken, en verder kantoren en allerlei voorzieningen als recreatieruimten, winkels, kerken, ziekenbarakken, straflokalen en sportvelden. De geïnterneerden moesten daar hun dagen slijten in primitieve omstandigheden, met een schrijnend tekort aan sanitaire voorzieningen. Rioleringen werden pas in de loop van de tijd aangelegd, zodat de kampen aanvankelijk verschrikkelijk stonken. De mannen sliepen op britsen met vuile strozakken, die wemelden van de vlooien en luizen. En verder vormden de ratten een voortdurende plaag. In sommige kampen werd voor elke gevangen rat 2,5 cent uitbetaald, waarmee de geïnterneerden hun karige soldij wat konden aanvullen. Maar soms woog de behoefte aan extra vlees zwaarder en werd de gevangen rat geslacht en opgegeten. De barakken waren niet geïsoleerd en lekten als het regende, terwijl in de winter de ijspegels aan de plafonds hingen en in de zomer de hitte niet was te harden. Ook het dagelijkse voedsel was niet afgestemd op de buitenlandse magen. En het ergste: de mannen leden onder sterke heimwee naar hun dierbaren en maakten zich grote zorgen over de thuissituatie.

Na een opstand in het kamp Zeist, waarbij acht doden en achttien gewonden vielen, kregen de autoriteiten meer oog voor het welzijn van de geïnterneerde militairen. Hun bewegingsvrijheid werd groter, bezoekregelingen werden verruimd en er werd moeite gedaan om de mannen zinvol bezig te houden. Dat betekende onder meer uitbreiding van onderwijsmogelijkheden en sportactiviteiten. De geïnterneerden kregen ook steeds meer gelegenheid om buiten de kampen te werken en te wonen. Daarbij werden gezinsherenigingen in Nederland steeds vaker toegestaan en verrezen er zelfs hele gezinsdorpen naast de kampen. Zo gingen de leefomstandigheden van veel buitenlandse militairen in Nederland steeds meer lijken op die van gewone Nederlandse gezinnen, al bleven het natuurlijk ontheemde mensen, wier vrijheid maar betrekkelijk was. Uit dagboeken en brieven blijkt hun groeiende heimwee, hun onderlinge irritatie en hun afkeer van de bemoeizucht van de Nederlanders, die hun van alles en nog wat wilden opdringen. Ter illustratie een citaat uit het dagboek van een hier geïnterneerde Belgische soldaat, Pierre Demal: “En hier in Holland hangen de bewoners je als parasieten aan `t lijf. Ze bieden je iets aan, maar vragen U gansch uit. Alles moet met hun weten gebeuren. Geen brief, geen pak, of het moet hun om zo te zeggen getoond worden. Zooniet, koelt de vriendschap en de zoogezegde menschenliefde.”[3] Andersom waren de geïnterneerden ook niet altijd even populair bij de bevolking. Vooral dronken Belgische en Britse militairen veroorzaakten veel overlast, waaronder het lastigvallen van Nederlandse vrouwen en meisjes.

Uitgeweken militairen moesten in principe geïnterneerd blijven tot het einde van de oorlog. Maar voor hen die ernstig ziek werden of bepaalde gebreken hadden, bestond de mogelijkheid voortijdig te worden gerepatrieerd.

Burgervluchtelingen

Tijdens de Duitse inval in België en vooral de beschieting van Antwerpen in oktober 1914 vluchtten grote aantallen Belgische burgers naar Nederland. Het werden er naar schatting ruim een miljoen! Ze kwamen per trein, per schip, maar vaak gewoon te voet de grens over, waar zij in lange rijen voort sjokten in de hoop op een slaapplaats voor de nacht. Sommigen hadden in de haast alleen wat kostbaarheden meegenomen, anderen hadden een deel van hun huisraad op karren geladen. Oude mensen werden vervoerd in kruiwagens of in hun eigen bed, boven op een boerenkar.

Veel Belgen vonden onderdak bij particulieren, en verder werden scholen, fabrieken, kerken en overheidsgebouwen gebruikt om de vluchtelingen op te vangen. En als die vol waren, konden altijd nog kippenhokken of kleedhokjes in het plaatselijke zwembad dienst doen als slaapplaats. Al direct werden de vluchtelingen zoveel mogelijk verspreid over Nederland, maar aanvankelijk hadden de zuidelijke gemeenten het merendeel van de Belgen binnen hun grenzen. Sommige van die plaatsen zagen hun inwoneraantal ineens verdubbeld of verdriedubbeld, en heel veel Belgen moesten de eerste nachten in Nederland noodgedwongen doorbrengen op straat.

De Nederlanders lieten zich aanvankelijk van hun beste kant zien. Er ontpopte zich direct een enorme bereidheid tot hulpverlening: bijna iedereen wilde wel Belgen in huis nemen of op andere wijze helpen. De politie patrouilleerde `s nachts door de steden en wanneer Belgen zonder slaapplaats werden aangetroffen, dan belde een agent gewoon de bewoners van het dichtstbijzijnde huis uit bed en duwde daar vervolgens de Belgen naar binnen. Comités van gegoede dames rezen als paddestoelen uit de grond en kranten staken al gauw de loftrompet over de barmhartigheid van eigen volk. Maar die euforie duurde niet lang. Al na een paar weken vonden de meeste Nederlanders dat die Belgen wel weer naar huis konden, ook al was hun land nog bezet. Bepaalde gewoonten van Belgen waren trouwens gaan irriteren: vaak te luidruchtig en teveel cafébezoek, vond men. En vooral bij de werkloze arbeiders wekte de ondersteuning van al die vluchtelingen jaloezie op. Een citaat uit een ingezonden brief uit het Rotterdamsch Nieuwsblad: “Als die Belgen geen kropbrood lusten, staat de mand met kadetjes al klaar. Komt op, Rotterdammers, tegen zo iets onbillijks! Tussen gastvrijheid en lekker smullen is onderscheid.”[4] De meeste Belgen trokken, mede onder druk van de Nederlandse overheid, al vóór het eind van het jaar naar huis, maar ongeveer 100.000 bleven hier hangen gedurende de rest van de oorlog. Zij probeerden zo goed en zo kwaad als dat ging een redelijk bestaan op te bouwen in Nederland. Velen vonden een baan, anderen hadden inkomsten uit spaargeld of bijvoorbeeld een zaak in België. De Belgen zonder eigen inkomsten werden ondersteund door de Nederlandse overheid.

De huisvesting van de vluchtelingen was afhankelijk van hun financiële situatie en kon variëren van een armoedig zolderkamertje voor een gezin van tien personen, tot een luxe villa. De Belgen die waren ondergebracht bij particulieren, hadden het lang niet altijd gemakkelijk. Daar werden zij vaak behandeld als onmondige kinderen, waarbij het Nederlandse gastgezin bepaalde hoe ze hun geld moesten besteden en hoe laat ze `s avonds binnen moesten zijn.

Zo'n twintig procent van de Belgische burgervluchtelingen kwam terecht in kampen, de zogenoemde vluchtoorden. Er verrezen drie zeer grote barakkenkampen in Nederland: in Nunspeet, Ede en Uden, en één kleiner kamp in tuinbouwkassen in Gouda. De vluchtoorden vormden complete dorpen met eindeloze rijen slaapbarakken voor duizenden mensen, en verder alle mogelijke voorzieningen. Vooral armlastigen met bedenkelijke reputatie kwamen terecht in de vluchtoorden, zoals souteneurs, prostituees, kruimeldieven of asocialen. En verder waren alleenstaande bejaarden zonder contacten vaak aangewezen op een vluchtoord. Ze hadden daar een zwaar leven, zonder privacy, en met een op militaire leest geschoeide dagindeling. Te laat aan tafel betekende geen eten, terwijl zwaardere vergrijpen konden worden bestraft met opsluiting in een straflokaal.

Tijdens de laatste oorlogsmaanden zou opnieuw een grote stroom burgers naar Nederland vluchtten, nu als gevolg van de verbitterde gevechten in Noord-Frankrijk en België tussen de geallieerden en de verliezende Duitsers. Ongeveer 40.000 Fransen arriveerden verzwakt en uitgehongerd in Nederland, na jarenlange oorlogsellende te hebben meegemaakt. Hoewel de Nederlandse opvang intussen was verbeterd, konden deze nieuwe vluchtelingen niet rekenen op een even hartelijke ontvangst als de Belgen aan het begin van de oorlog. De rek was eruit bij de Nederlanders: men beperkte zich tot een humanitair minimum, en daar bleef het bij.

Deserteurs

In de loop van de oorlog vluchtten steeds meer buitenlandse deserteurs - voornamelijk Duitsers - naar Nederland. De Nederlandse regering wist niet goed raad met deze mensen, maar stemde toe in hun verblijf om humanitaire redenen. Na hun aankomst volgde wel eerst een onderzoek of ze echt die status verdienden. In afwachting van een beslissing werden ze zolang geïnterneerd bij hun niet gedeserteerde landgenoten in het kamp te Bergen, wat leidde tot ernstige vechtpartijen tussen de twee groepen. Toen de situatie steeds meer escaleerde, werden de deserteurs in een afgescheiden barak geplaatst. Als vastgesteld werd dat het ging om echte deserteurs, werden ze direct vrijgelaten. Maar dan was de ellende zeker niet voorbij. De meeste deserteurs verkeerden in beroerde omstandigheden: geen inkomen, geen dak boven hun hoofd en grote zorgen om hun gezin in Duitsland, dat door de desertie van hun kostwinner direct de militaire uitkering was kwijtgeraakt. Omdat die Duitse mannen hier wanhopig op zoek gingen naar inkomsten, vervielen zij gemakkelijk tot criminaliteit en werden daardoor in Nederland steeds minder geaccepteerd. Hun aantal is niet precies bekend, omdat deserteurs meestal niet waren geregistreerd en hun leven zich afspeelde in de illegaliteit. Maar het moeten er zeker tienduizend zijn geweest. Deserteurs die zonder bestaansmiddelen werden opgepakt, werden vanaf de zomer van 1917 overgebracht naar een speciaal kamp in het Noord-Hollandse Bergen, met een zeer primitieve inrichting en een streng regime. Het had daardoor veel weg van een strafkamp. Vooral de lijders aan schurft en geslachtsziekten waren slecht af, doordat ze in primitieve tenten totaal werden geïsoleerd. De spanning in dit speciale kamp was doorgaans te snijden. Vaak hingen de mannen overdag op bed, terwijl ze `s nachts door de duisternis slopen met weinig goeds in de zin, zoals inbraken in de kantine. Als ze werden opgepakt en opgesloten in de houten strafkamers, schopten ze die uit woede en frustratie niet zelden kort en klein. De verantwoordelijke Nederlandse generaal schrok toen hij in augustus 1917 een bezoek bracht aan het kamp en de apathische, dof ogende mannen zag. Hij besefte wel dat de enige remedie was om ze aan het werk te zetten, maar omdat in de praktijk moeilijk geschikt werk was te vinden, bleef het behelpen.

Als deserteurs eenmaal vastzaten in Bergen, bekommerde zich vrijwel niemand meer om hen, behalve de socialistische beweging. Een redacteur van het linkse deserteursblad `Der Kampf' gaf een bitter commentaar: “Zo heeft de deserteur alleen nog maar de keus tussen het kamp of het leven als crimineel uit nood. Want leven wil en moet een mens nu eenmaal, ook al is hij slechts een mof.”[5] De meeste deserteurs slaagden erin buiten dat gehate kamp te blijven, bijvoorbeeld omdat ze zelf werk vonden. Maar voor velen werd het een treurig leven in de illegaliteit, met de voortdurende angst om opgepakt te worden. En dan moesten ze ook nog op hun hoede zijn voor Duitse of Nederlandse politiespionnen, die de mannen met allerlei trucs over de grens lokten en hen dan tegen geld uitleverden aan de Duitse autoriteiten.

Nog tijdens de oorlog trokken er al Duitse deserteurs terug naar hun vaderland, omdat ze het leven in Nederland niet konden volhouden. Maar de meeste vertrokken pas na de oorlog. Zij kwamen er doorgaans goed vanaf, omdat het nieuwe regime in Duitsland de deserteurs mild behandelde.

Ontsnapte krijgsgevangenen

Uit de Duitse krijgsgevangenkampen ontsnapten regelmatig Fransen, Britten, Belgen en Russen, die na omzwervingen een veilig heenkomen zochten in het neutrale Nederland. In principe werden deze mannen hier - volgens de geldende internationale verdragen - geholpen om naar hun vaderland terug te keren. Maar voor de Russen was dat moeilijk, omdat het vervoer naar Rusland gebrekkig was en na de revolutie daar vrijwel onmogelijk. Duizenden Russen en ook Polen concentreerden zich daarop vooral in Rotterdam. Het ging om militairen, maar ook om burgers die dwangarbeider waren geweest in Duitsland. Die gevluchte mensen werden onderhouden door een tweetal comités, die ressorteerden onder het Russische consulaat. De meesten waren ondergebracht in grote pensions in Rotterdam-West, echte mensenpakhuizen waar ze vaak niet eens over een eigen bed konden beschikken. En om plaats te maken voor die Oost-Europeanen, werden Nederlandse huurders soms zonder pardon uit hun woningen gezet.

Het duurde niet lang of de Russen en Polen werden de schrik van de plaatselijke bevolking. Ze zagen er angstaanjagend uit met hun woeste ogen en haveloze en vieze kleding, terwijl hun gedrag vaak volstrekt onaangepast was. De politie moest geregeld uitrukken om ernstige vechtpartijen te beslechten en liep daarbij gemakkelijk messteken op. De Russen en Polen hadden overdag niets te doen en zwierven maar wat rond. Ze vervuilden de straten en raakten in de loop van de dag meestal stomdronken. Voor al die drank was hun toelage verre van toereikend, waardoor ze hun krappe budget aanvulden met zakkenrollen en de verkoop van hun door het Comité verstrekte kleding. Ook aan de Nederlandse zedelijkheidsnormen lieten ze zich niets gelegen liggen. Ze zwommen tot afschuw van de schippersvrouwen poedelnaakt in de Rotterdamse haven en toonden in allerlei situaties een openlijke sensualiteit. `s Avonds barstten in hun logementen ongeremde feestelijkheden los, waarvoor geprobeerd werd - en vaak met succes - jonge meisjes uit de buurt naar binnen te lokken. Dan werd er gedronken en gedanst op opzwepende vioolmuziek. De buurtbewoners protesteerden al snel bij de burgemeester: “Tot laat in de avond is de gemeenschappelijke verblijfplaats dier lieden een plaats van grof zingenot, waarin helaas ook vele meisjes, zeer jeugdig nog, worden meegesleept. Waar moet dat heen?”[6] Rotterdammers gingen zich in hun eigen stad steeds onveiliger voelen en vooral vrouwen durfden `s avonds niet meer alleen over straat. De situatie werd onhoudbaar en besloten werd om een speciaal isolatievaartuig af te meren in het midden van de Parkhaven, waar de ergste raddraaiers werden opgeborgen. De rivierpolitie in het drijvende kantoor naast het schip hield toezicht. Aan boord hadden de Russen en Polen overdag de keuze tussen nietsdoen of matten vlechten, waarbij er nauwelijks bewegingsruimte was op het kleine schip. Hun leven speelde zich af in het bedompte, donkere ruim, waar zowel gegeten als geslapen werd. De omstandigheden waren zo erbarmelijk dat de autoriteiten wel inzagen dat het inhumaan was om mensen daar een lange periode op te sluiten.

Ook overbrenging van een duizendtal Russen en Polen naar Schiedam - in enkele grotere gebouwen - bracht geen noemenswaardige verbetering in de toestand, omdat ze hun oude ontmoetingsplaatsen bleven opzoeken. Na aandrang van de gemeentelijke politie besloot de regering toen om die lastige vluchtelingen over te brengen naar het deserteurskamp in het Noord-Hollandse Bergen. Begin augustus arriveerden de eerste Russen daar in het aparte deel van het kamp, dat in de volksmond het Russenkamp zou gaan heten. De omstandigheden waren er nog slechter dan in het deserteursgedeelte. Het eten was karig en smakeloos, werken buiten het kamp werd bijna nooit toegestaan en het leven bestond uit een aaneenschakeling van vernederingen, met een schrikbewind van de Nederlandse leidinggevende militairen. Het meest gevreesd was de zogenaamde provooststraf, die inhield dat enkele gestraften gedurende een aantal dagen samen werden opgesloten in een krappe cel zonder sanitaire voorzieningen. De Russen ervoeren het kamp als een hel, erger dan de gevangenschap in Duitsland waaraan ze waren ontsnapt. Uiteindelijk bracht de maatregel ook niet de gewenste verlichting voor Rotterdam en Schiedam. De instroom van Russen en Polen bleef voortduren en daarmee ook hun wangedrag. Pas de geleidelijke repatriëring na de oorlog zou de definitieve oplossing brengen.

Uitgewisselde Krijgsgevangenen

Er waren ook buitenlandse krijgsgevangenen die via een officiële weg naar Nederland kwamen. De Nederlandse regering had zich namelijk in de loop van 1917 bereid verklaard om mee te werken aan een uitwisseling van Duitse en Britse krijgsgevangenen, die zou plaatsvinden op neutrale Nederlandse bodem. Daarbij zouden de zwaar zieke of verminkte krijgsgevangenen mogen doorreizen naar hun vaderland, terwijl de gezonde mannen zolang in Nederland werden geïnterneerd. Zij zouden immers bij terugkeer naar hun vaderland direct weer aan de strijd kunnen deelnemen, en dat was niet de bedoeling van de regeling.

Intussen waren de ontberingen van de Nederlandse bevolking zelf sterk toegenomen: voedsel en brandstof waren op de bon en veel voedingsmiddelen waren helemaal niet meer te krijgen. Nu de Nederlandse regering bewust had gekozen voor de komst van nóg meer oorlogsgasten, kwam er van alle kanten openlijke kritiek: de eigen bevolking was het beu om de schaarse voorraden te delen met alweer nieuwe vreemde kostgangers.

De overeengekomen uitwisselingen vonden plaats in het laatste oorlogsjaar: 22.000 krijgsgevangenen werden op Nederlandse bodem uitgewisseld en 11.000 werden er in Nederland geïnterneerd.

De transporten door Nederland van oorlogsinvaliden maakten diepe indruk op de bevolking. Tijdens de uitwisselingen in Rotterdam - van schip naar trein en omgekeerd - zag men mannen die gruwelijk gewond waren, zoals blinden of mannen die geen armen of benen meer bezaten en slechts bestonden uit een hoofd en een romp.

Voor de hier te interneren gezonde militairen was - net als bij de uitgeweken buitenlandse militairen - de rang bepalend voor de huisvesting en de vrijheid van bewegen. Officieren woonden zelfstandig en de lagere militairen in kampen, verspreid over Nederland. De Duitsers zaten in Rotterdam, Wolfheze en Hattem, de Britten vooral in Den Haag, en verder in Leeuwarden. Het viel de vaak getraumatiseerde militairen niet mee om na jarenlange gevangenschap opnieuw in een kamp te moeten leven, al waren de omstandigheden hier stukken beter dan in het land van de vijand. Bovendien waren de uitwisselingskampen kleinschaliger dan die voor uitgeweken militairen. En doordat de afgesproken aantallen door allerlei oorzaken niet werden gehaald, hadden de hier geïnterneerden relatief veel leefruimte in hun kampen. Bovendien kregen ze al direct de mogelijkheid om deel te nemen aan allerlei vormen van onderwijs, en werken was zelfs verplicht voor de meeste ongegradueerden.

Bij de bevolking werden de militairen, vooral de stramme Britse en Duitse officieren, lang niet overal even populair. Een Rotterdamse krant had echter nog hoop: “Naarmate de Duitschers hier langer vertoeven zullen zij ook den schijn der Hollandsche beschaving wel overnemen, tot zoolang moet men met hen geduld hebben.”[7]

Repatriërende krijgsgevangenen

Na de wapenstilstand stond Nederland voor de enorme opgave om alle hier aanwezige buitenlanders zo snel mogelijk te repatriëren. Dit karwei duurde een paar maanden en werd nog verzwaard doordat zo'n 80.000 geallieerde krijgsgevangenen uit Duitsland naar huis moesten reizen via Nederland. Per trein of te voet meldden ze zich aan de grens, alleen of begeleid. Veel Britten, Fransen, Belgen en Italianen, maar ook Serven en Portugezen. Vooral de Britten waren populair door de onuitputtelijke voorraden corned beef die ze gul uitdeelden aan de hongerige Nederlandse bevolking. Wanneer de binnenkomende krijgsgevangenen niet direct konden doorreizen naar hun vaderland, werden ze eerst overgebracht naar een quarantainestation om te douchen en lichaam en kleding te ontluizen. Daarna gingen ze naar een verzamelpunt, in afwachting van de verdere reis. Vooral de havenstad Rotterdam kreeg te maken met veel geallieerde krijgsgevangenen die per schip naar huis moesten. Voor alle nationaliteiten apart werden daar noodhospitalen opgericht, waar de zieken en gewonden weer voldoende konden herstellen voor de terugreis.

Na verloop van tijd was de toevoer van krijgsgevangenen in Nederland zo groot, dat de doorstroming stagneerde. Daardoor werden ze tijdelijk ondergebracht in de intussen vrijgekomen interneringskampen, zoals in Harderwijk. Daar bevonden zich in januari 1919 zo'n 7000 mensen, zonder toezicht, zodat het kamp en zijn bewoners zeer snel verpauperden. Zo werden vloeren en wanden van de barakken gebruikt voor brandhout. Maar het ergste was dat de mannen de sanitaire voorzieningen niet meer gebruikten. Ze vonden het gemakkelijker om hun behoeften te doen in de kampstraten, of gewoon op de vloer in hun barakken. Verder stalen ze aardappelen bij de boeren uit de omtrek en draaiden kippen de nek om. Verbetering kwam er pas toen er een Nederlandse commandant werd benoemd en het kamp uiteindelijk op ordelijke wijze leegstroomde. Eind januari 1919 verlieten de laatste geallieerde krijgsgevangenen Nederlandse bodem, tot opluchting van autoriteiten en bevolking.

Epiloog

Tijdens de oorlogsjaren werden in Nederland alle vluchtelingen toegelaten, op grond van internationale verdragen of humanitaire beginselen. De leefomstandigheden van die buitenlanders liepen in ons land echter sterk uiteen en waren in de praktijk afhankelijk van hun politieke status en hun economische of maatschappelijke positie.

De Nederlandse bevolking toonde aanvankelijk een massale hulpbereidheid, maar geleidelijk werd die houding kritischer. Naast de toenemende eigen deprivatie en de daaruit voortkomende jaloezie op vluchtelingen, gingen culturele verschillen steeds zwaarder wegen. Ook in het regeringsbeleid deed zich nog tijdens de oorlog een kentering voor. In 1918 kwam er een nieuwe vreemdelingenwet tot stand, met strengere richtlijnen voor toelating en verblijf van buitenlanders. Het regeringsbeleid zou daarna geleidelijk restrictiever worden. Die nieuwe benadering zou de gehele verdere eeuw doorwerken, tot aan de huidige maatschappelijke discussie over asielzoekers.


Evelyn de Roodt
in: Armamentaria, vol. 35 (2000) p. 59-71.


Noten
    1.    Evelyn de Roodt, Oorlogsgasten. Vluchtelingen en krijgsgevangenen in Nederland tijdens de Eerste Wereldoorlog (Uitgeverij Europese Bibliotheek, Zaltbommel 2000).

    2.    Dit artikel is ook beschikbaar op: www.collectie.legermuseum.nl/sites/strategion/contents/i004529/arma35%.  Daar vindt u ook afgebeelde aquarellen van Jan Hoynck van Papendrecht die zich bevinden in het Legermuseum te Delft.

    3.    Pierre Ignace Demal, Dagboek (in bezit auteur).

    4.    Rotterdamsch Nieuwsblad, 20 oktober 1914.

    5.    Der Kampf, Revolutionär-Sozialistisches Wochenblatt, 23 febr. 1918

    6.    Gemeentearchief Rotterdam, NSA/AZ, inv. nr. 4122/783, Corr. B&W ingek. miss. Nr.
3495: brief van 25 bewoners van de Haspelsstraat en de Schippersstraat aan B&W
Rotterdam.

    7.    Rotterdamsch Nieuwsblad, 15 januari 1918.