Menu

Eerherstel voor gefusilleerde deserteurs uit de Eerste Wereldoorlog

Eerherstel voor gefusilleerde deserteurs uit de Eerste Wereldoorlog

In een open brief aan de Belgische regering vroegen twee families van gefusilleerde Belgische soldaten uit de Eerste Wereldoorlog onlangs om een gebaar van eerherstel te stellen. Dat zou een algemene postume gratieverlening kunnen zijn, of dat zouden verontschuldigingen kunnen zijn voor het optreden van het Belgische leger toen.

 

De regering belooft dat een groep van historici tegen maart een advies zal formuleren, waarna de regering een beslissing zal nemen. Gelijkaardige initiatieven werden in de voorbije twintig jaar ook genomen in de landen van het voormalige Britse Gemenebest. In Nieuw-Zeeland (2000) en Groot-Brittannië (2006) leidde dit tot postume gratieverlening. In Canada (2001) bleef het bij verontschuldigingen en een uiting van spijt voor het gebeurde in het parlement. Ook de Ierse regering (2004) nam het op voor het in verhouding excessief hoge aantal Ierse gevallen (26), al bestond er in de Eerste Wereldoorlog nog helemaal geen Ierse regering. Nu komt het initiatief eindelijk naar de landen van het voormalige Westelijke Front. Frankrijk zal de gefusilleerden alvast niet vergeten. President Hollande heeft gevraagd dat zij een plaats zouden krijgen in het nationale legermuseum in Les Invalides en dat alle namen en processen openbaar zouden worden gemaakt. In het Parijse stadhuis komt er begin 2014 ook een grote tentoonstelling en conferentie. Omdat weten het belangrijkste is, zegt Hollande.

België

En nu is het dus de beurt aan België. Het is typisch dat dan gezegd wordt dat advies aan historici zal worden gevraagd. Uiteraard zijn zij de aangewezen personen om feiten uit het verleden uit te zoeken en te beschrijven. Maar zijn zij ook werkelijk de specialisten om uitspraken te doen over ethische of juridische problemen of – meer nog – over hedendaagse politieke initiatieven en/of mobilisatie van de publieke opinie? Ik mag wensen dat het zo zou zijn, maar ik denk dat dit een verantwoordelijkheid legt bij ‘de historici’ die zij niet moeten opnemen. Of toch niet meer of anders dan politici of andere burgers.

Om het bij het geval van de executies te houden. Wat moet historisch nog worden uitgezocht? De processtukken zijn beschikbaar, maar het feitenmateriaal weegt vaak niet zwaar. De “misdaden” (onwettige afwezigheid, desertie, ongehoorzaamheid, insubordinatie) staan niet ter discussie. Ze worden niet ontkend, maar naar de omstandigheden, naar de motieven of de persoonlijke voorgeschiedenis, hebben we in de
stukken het raden. Ook over de rechtsgeldigheid van de procesgang kunnen vragen worden gesteld. Van de negen gevallen die in België voor een verontschuldiging of gratie in aanmerking komen, zouden de zeven eerste juridisch niet correct zijn verlopen (zo stelde Jacques Maes, een voormalig eerste advocaat-generaal bij het Militair Gerechtshof al in 2005 ), terwijl de vonnissen in de twee laatste gevallen vooral ingegeven i leken door de politieke wil om een voorbeeld te stellen, het gekende argument “pour encourager les autres”.

Maar uiteindelijk is de belangrijkste vraag: is vandaag een uitspraak doen over feiten van honderd geleden legitiem? Dat was het grote argument dat de voormalige Britse premier John Major had tegen de Britse postume gratieverlening. Je moet het verleden laten rusten, argumenteerde hij, we mogen niet oordelen met de normen van onze tijd over die van (toen) 90 jaar geleden . Wat de normen van die tijd waren had ii hij ongetwijfeld gehaald bij historici. Bij mentaliteitsgeschiedenis, wellicht. Maar als je daarop doorgaat dan zie je dat die mentaliteit vooral bij de heersende klasse werd bestudeerd en niet bij de maats of de families van de geëxecuteerden. Noch zelfs bij de gewone niet-betrokken getuigen van de executies. Ik groeide op in een dorp waar in de Eerste Wereldoorlog Franse en Britse soldaten werden geëxecuteerd en hoorde talrijke getuigenverhalen vol ontzetting en gruwel, die haaks stonden op John Majors morals of the day…

Herdenking

Maar je moet het verleden helemaal niet laten rusten. De normen van deze of gene tijd is niet de vraag waar de Belgische regering voor staat. Straks zal zij de hele Belgische bevolking oproepen (zoals de Vlaamse regering de Vlamingen en de regering van de Fédération Wallonie-Bruxelles de Franstaligen in dit land zullen oproepen) om deel te nemen aan de eeuwherdenking van de Eerste Wereldoorlog. Omdat wie zijn verleden niet
kent geen toekomst heeft. Het is een legitiem appèl aan de bevolking. Het gaat over zingeving, over stilstaan bij de grootste geweldpleging die ooit op ons grondgebied plaatsvond. Uiteindelijk zou het moeten gaan over de culturele verankering van een historisch gebeuren dat grote invloed had op hoe ons land, ons continent en onze wereld er uitzien. Zo’n gegeven verdient die aandacht.

Maar je kan geen oproep doen aan de bevolking en daarbij exclusieven stellen. We willen dat je alles en iedereen herdenkt, behalve een handvol sukkelaars dat toen door een militair gericht tot voorbeeld werd gesteld. Een antwoord zoeken op hun schuldvraag of op die van hun rechters is allang niet meer aan de orde. Honderd jaar later gaat het niet over oordelen en veroordelen, maar over begrijpen, van daden, contexten, en van de herinnering daaraan over een periode van honderd jaar. Honderd jaar lang waren deze geëxecuteerden – die - laten we heel duidelijk zijn - geen van allen landverraders of moordenaars waren – speelbal van het lot, slachtoffers van de militaire hang naar het afdwingen van gezag en etaleren van de macht. Honderd jaar lang waren zij kinderen van de rekening, en hun families met hen. Door een eventuele uitsluiting zouden zij het nog
meer worden. Wie daartoe zou beslissen, meneer de eerste minister, meneer de commissaris-generaal, heren en dames historici, kan beter al zijn mooie, positieve intenties omtrent een eeuwherdenking maar opbergen.

Dit soort over- en afwegingen zijn in de eerste plaats politiek, ze gaan over vandaag, en over hoe je geschiedenis inzet in je samenleving. Dat is een fundamentele vraagstelling, maar geen waar alleen historici zinnige uitspraken over zouden kunnen doen. En dus waar politici zich zouden mogen wegsteken achter een eventueel gebrek aan duidelijke consensus onder historici. We mogen de geschiedenis niet verdraaien of misbruiken, maar we moeten wel inzien dat geschiedenis een niet op zichzelf staand gegeven is dat alleen maar in één exacte context kan worden begrepen of bekeken. Herdenken zegt altijd meer over wie herdenkt dan wat men herdenkt, zegden ondermeer Antoine Prost en Jay Winter iii. Laat me toe om het oordeel van België in deze voor deze eeuwherdenking als een eerste lakmoesproef te zien.

Noten

i Jacques Maes, Het Belgisch Militair Gerecht tijdens de Eerste Wereldoorlog, Een portret van de geëxecuteerden. in Soma/Ceges. Bijdragen tot de Eigentijdse Geschiedenis, nr.16, 2005


ii John Major, Prime Minister, brief van 10 februari 1993 aan Andrew MacKinlay, MP voor Thurrock, indiener van het wetsvoorstel voor een postume gratieverlening in Groot-Brittannië

iii Antoine Prost & Jay Winter, Penser la Grande Guerre, Paris, 2004

De auteur is directeur van In Flanders’ Fields, Ieper
Last modified onwoensdag, 19 maart 2014 08:27