Menu

Zuid-Korea: Myunglin Moon in afwachting van zijn gevangenstraf

Zuid-Korea: Myunglin Moon in afwachting van zijn gevangenstraf

Zuid-Korea heeft een bevolking van 50 miljoen inwoners en onderhoudt een leger van 685.000 mannen en vrouwen.  Het land heeft het vijfde grootste leger ter wereld.  Voor alle mannen geldt dienstplicht.  De duur van de militaire dienst is 21 tot 24 maanden en er bestaat geen recht op gewetensbezwaar.  Gewetensbezwaarden worden als deserteurs beschouwd en veroordeeld tot 18 maanden gevangenis en krijgen nadien te maken met ernstige discriminatie in de samenleving.  Pas na het ontstaan ​​van een politieke gewetensbezwaardenbeweging in 2000 en de eerste openbare niet-religieuze dienstweigeraars kwam er buitenlandse belangstelling.  Momenteel zitten meer dan duizend ‘deserteurs’ in Zuid-Korea in de gevangenis.


Myungjin Moon is actief in de NGO 'World Without War’.  Hij zet zijn redenen uiteen om tegen het dragen van wapens te zijn.

De redenen voor mijn bezwaar tegen wapens :

1.  Naar de gevangenis gaan in plaats van naar het leger is een van de meest cruciale kwesties in mijn leven.  Er is niet één moment waarop ik gekozen heb om militaire dienst te weigeren, noch is het gemakkelijk om mijn beweegredenen in eenvoudige bewoordingen uit te leggen.  Eén ding is zeker.  Het viel me steeds moeilijker om als soldaat wapens te moeten opnemen.  Daarom wil hierna in het kort mijn denkproces beschrijven dat me ertoe bracht om ​​gewetensbezwaarde te worden.  
Ik begon over de staat, het leger en oorlog na te denken, toen de door de VS geleide oorlog tegen Irak losbrak in 2003.  En na protesten tegen het besluit van de Koreaanse regering om ook troepen naar Irak te sturen, vroeg ik me af wat onder ‘het nationaal belang' verstaan wordt.  Over wie gaat dat ‘nationaal belang’ ?  Er ontstond een spanning binnen mijn eigen gedachten en overtuigingen. Ik identificeerde me met ‘de staat’ en ik stelde me (nog) geen vragen bij het Koreaanse gezegde dat iedereen in het schoolsysteem onderwezen krijgt :  “De fysieke kracht van het individu is de kracht van de natie”.  Ik begon te beseffen dat de ‘echte wereld’ ver verwijderd stond van wat ik erover had geleerd en wat ik dacht hoe ze was.  Dit besef kwam tot stand na het geweld van de politie tegen demonstranten te hebben meegemaakt.  Ik was er altijd van uitgegaan dat de politie 'voorstanders van gerechtigheid' waren.  
Ik voelde me steviger en had helderder gedachten hebben over mijn gewetensbezwaren, toen ik me inzette voor het protest tegen de uitbreiding van een Amerikaanse militaire basis in Pyeongtaek in 2006.  De dorpelingen wilden kunnen werk op het land waarop zij waren opgegroeid.  Maar de  overheid stuurde het leger en de oproerpolitie op hen af om hen te verdrijven.  In de vroege ochtend van 4 mei zag ik met mijn eigen ogen het meedogenloze geweld van leger en politie, toen ze eraan begonnen om het verzet van de dorpelingen en de demonstranten te kraken.  Mensen reageerden net zo heftig terug, of verstijfden bij het zien van zoveel staatsgeweld.  Op dat moment was ik aan de ene kant voorbereid om op een geweldloze manier terug te vechten en te proberen niet zo’n duivel te worden als zij; maar aan de andere kant voelde ik een oerangst bij het zien van ‘mijn’ strijdkrachten die ​​voor de nationale veiligheid moeten instaan en hier de aanval op hun eigen medeburgers inzetten als waren zij hij vijanden.
Voor mij is het leger dé plek waar geïnternaliseerd is om een ​​mens niet meer als mens te zien.  Ik werd getekend door het geweld van de oproerpolitie en de strijdkrachten, door de kaarlichtwake tegen de invoer van Amerikaans rundvlees dat besmet was met de gekkekoeienziekte en door nog een andere gedwongen ontruiming die de levens van zes mensen in Yongsan kostte.  Ik vroeg me af hoe zoveel geweld van een mens tegen een andere mogelijk is.  Ik heb geprobeerd om te begrijpen hoe iemand een raket kan afvuren naar een plek waar zich mensen zoals hij/zij zich bevinden, terwijl ik naar de oorlog in Irak en Afghanistan op de televisie keek.  Mijn conclusie was dat je een geweer enkel kan richten, indien je de ander niet ziet als iemand met dezelfde gevoelens en behoeften als jijzelf.  Het werd me duidelijk dat om deel uit te maken van de krijgsmacht, ik me moest leren gedragen als een robot, die bestaat om gemobiliseerd te worden en te gehoorzamen aan het staatsbelang.

2.  In afwachting van de dag dat ik (misschien) in de gevangenis beland, denk ik aan de kinderen die ik ontmoette tijdens mijn lesstage.  Het was leuk te ervaren om te beseffen dat ik er voor hen toe deed.  Ze wilden mijn handen vasthouden om samen naar de kantine te lopen en vroegen om naast me te mogen zitten tijdens de maaltijd.  Het deed me plezier om steen-papier-schaar met hen te spelen, een brief te krijgen met een bedanking dat ik een pennenzak had opgeraapt die op de grond was gevallen, en kinderen te horen vertellen dat ze zoals ik voor leerkracht wilde studeren. Ik wilde me bewust inleven in de vreugde en de pijn van elk kind.
Aan de universiteit studeerde ik pedagogie en ging ik me vragen stellen over de aard van het onderwijs en hoe groei en ontwikkeling bij de mens in zijn werk gaat.  Zo kwam ik ertoe na te denken over hoe ik mijn leven leef, en wat ik op dit moment het meest waardeer.  Ook al was het maar een onderwijsstage van een maand, werd het me duidelijk dat het doel van onderwijs is om te leren hoe elkaar lief te hebben.  Er zullen altijd conflicten zijn, en toch geloof ik dat we onszelf kunnen leren kennen door de omvang en de grenzen van het zelf te scheiden van de conflicten, en verbindingen met elkaar te ontwikkelen.
Ik begrijp 'veiligheid' als een pek waar mensen kunnen leven en zich veilig voelen.  Het draagt ​​niet bij tot ‘veiligheid’ om andere mensen als minder dan menselijk te beschouwen, en dodingsvaardigheden te trainen.  Ik wil me niet als een soldaat voorstellen die geacht wordt bij te dragen aan de nationale veiligheid en gevoelens van angst en vijandigheid moet kweken tegen wat 'de vijand’ wordt genoemd. Ik wil geen deel hebben aan het mechanisme waarmee het militarisme - en de hiërarchische en door mannen gedomineerde cultuur waaraan ik onderworpen ben -, het individuele geweten verwaarloost, en zo heerst en groeit met als enig bestaansrecht zijn militaire macht.

3.  Ik herinner me een bezoek aan de Democratische Volksrepubliek Laos vorige maand voor de eerste bijeenkomst van staten die betrokken zijn bij het Verdrag inzake clustermunitie.  In Laos verliest gemiddeld één persoon per dag zijn/haar leven als gevolg van niet-ontplofte clusterbommunitie.  Dit betekent dat miljoenen clusters die de VS gedurende de Indochina-oorlog dropte, nog steeds het leven van inwoners bepaalt.  Custermunitie wordt door de internationale gemeenschap als een ‘onmenselijk wapen’ gezien, maar de Zuid-Koreaanse regering beweert nog steeds nood te hebben aan clusterbommen “in het belang van de nationale veiligheid”.  Ondertussen maken Zuid-Koreaanse bedrijven zoals Hanwha en Poongsan winst met de productie en export van clustermunitie.
De regering maakt zich sterk dat ze een hardere houding moet aannemen tegen Noord-Korea na de incidenten rond het Yeonpyeong eiland.  Op hetzelfde moment verschijnen er artikels in de pers die het MLRS (Multiple Launch Rocket System), de trots van de Koreaanse strijdkrachten, aanprijzen.  Het is echter niet de Noord-Koreaanse artillerie maar iemands leven en onze menselijkheid die worden verwoest door de Zuid-Koreaanse MLRS-artillerie.  Niet Noord-Korea alleen moet worden bekritiseerd, maar ook Zuid-Korea moet de verantwoordelijkheid voor de huidige staat van verhoogde spanning accepteren.  In het Zuiden vielen er verschillende doden tijdens de militaire conflicten, maar zo zijn er zeker ook mensen gewond of gedood in het noorden.  Hoe meer we angst en vijandigheid tegen elkaar ontwikkelen, hoe meer tranen er zullen vloeien over de slachtoffers van geweld.
Niemand verdient te worden gedood.  Zowel Zuid-Korea als de omringende landen moeten ermee stoppen altijd maar meer geld uit te geven aan oorlog.  Slechts enkelen uit de heersende klasse en de wapenindustrie halen profijt uit het opdrijven van vijandigheid en het aanjagen van de bewapeningswedloop.  Geweld leidt tot een vicieuze cirkel van meer vergelding en meer geweld.  Mijn dienstweigering is zowel de minste als de beste houding die ik tegen deze vicieuze cirkel van geweld kan aannemen.

4.  Dankzij mijn bezwaar tegen militaire dienst ben ik nu beter in staat om te reflecteren over mijn manier van leven, over feminisme en pacifisme.  Dank zij de mensen van ‘World without War’ werd ik vegetariër en begon ik te fietsen.  Ik denk er nu over na om op een manier te leven waarbij ik minder verdien, minder verbruik en zo weinig schade berokken aan de aarde.  Hoe ik nu ben, is heel erg beïnvloed door het nadenken over dienstweigering en mijn deelname aan de vredesbeweging.
Daar staat tegenover dat de gevangenisstraf die me te wachten staat, me heel veel stress bezorgt.  Het was pijnlijk om mezelf in de gevangenis voor te stellen, telkens dat ik plannen maakte voor de toekomst.  Het was niet makkelijk om mijn moeder in de ogen te kijken, wanneer ze probeerde me te overtuigen mijn beslissing te herzien door te zeggen dat ik spijt zal krijgen na mijn straf te hebben uitgezeten.  Ik was zowel bedroefd als boos, toen ik ruzie kreeg met mijn ouders over mijn keuze, omdat ik een soort van schuldgevoel kreeg dat ik niet voldeed aan de verwachtingen van mijn ouders.
Last but not least, wil ik mijn kameraden bedanken die me hebben meegeholpen om mijn gedachten vorm te geven.  Ik hoop dat mijn dienstweigering anderen aan het denken zal zetten over de bestaansredenen van het leger.  Ik wil het militarisme in de Koreaanse samenleving in vraag stellen en niet enkel maar doen nadenken over de vrijheid van geweten.  Ik hoop dat mijn gewetensbezwaren mij in staat zullen stellen om me in te leven in andere mensen en gevoelig voor hun toekomstige pijn te blijven.


Deze bijdrage is de negende in een reeks getuigenissen die we met Waanvlucht ook op DeWereldMorgen posten.