Menu

Over ‘In Flanders Fields’ en klaprozen

Over ‘In Flanders Fields’ en klaprozen

Op 20 maart 2014 lanceerden Vrede vzw en het Brussels Brecht Eisler-koor de WaanVlucht-campagne, een ode aan de deserteur, in het Klein Kasteeltje te Brussel. Marc Reynebeau gaf er de openingsspeech. Dit is de transcriptie ervan.

 

Herdenkingscircus

Het woord ‘herdenkingscircus’ is door de organisatie op het programma gezet. De term is niet toevallig gekozen, omdat we toch iets bijzonders meemaken met de herdenking van 100 jaar Eerste Wereldoorlog en we staan nog maar aan het begin. Die oorlog is straks bijna een eeuw achter de rug en de afloop ervan heeft op zijn minst 10 miljoen doden gevraagd. Daarbij moet je waarschijnlijk nog de Spaanse griep tellen, want die was in veel delen van Europa mee het gevolg van de verzwakking van de bevolking door de oorlog. De Spaanse griep brak in de eindfase van de oorlog uit en eiste waarschijnlijk nog eens 10 miljoen doden. Dat is allemaal niet niks.

Die oorlog blijft zelfs tot vandaag slachtoffers eisen. Het is niet langer geleden dan gisteren dat er nog 2 mensen omkwamen in Ieper als direct gevolg van de Eerste Wereldoorlog. Twee arbeiders die aan het werk waren -wegenwerken- zijn daarbij op een obus gestuit die ontploft is, met 2 doden en 1 zwaargewonde tot gevolg. Zelfs wie de oorlog weigert, kan er nog altijd door achtervolgd en opgeëist worden.

Tot op vandaag bestaat een nogal officiële retoriek die heel sterk de nadruk legt op het feit dat die oorlog een kwestie is geweest van internationale bondgenootschappen en internationale samenwerking. Dat is een van de redenen waarom de Amerikaanse president Obama volgende woensdag naar ‘of all places’ Waregem komt. Maar de reden is natuurlijk ook dat daar een Amerikaanse militaire begraafplaats ligt. Hoewel de internationale context en de internationale solidariteit in de officiële retoriek heel sterk benadrukt wordt, is er op dat vlak toch een probleem met die 2 slachtoffers van Ieper. Er bestaat immers een bijzondere regeling voor mensen die het slachtoffer worden van incidenten zoals deze, maar de 2 recente slachtoffers in Ieper zullen er geen beroep kunnen op doen. Eén van hen is een Bulgaar en de andere een Turk. De zwaargewonde is ook een Turk. Alleen mensen met de Belgische nationaliteit kunnen een beroep doen op die schadevergoeding. Tot zover de internationale samenwerking. Als ik het goed heb, is vandaag in het federale parlement een vraag over deze zaak gesteld. Hoe dan ook, er blijven slachtoffers vallen. Het is moeilijk om daar grappen over te maken als er mensenlevens in het geding zijn, maar het is een vorm van tragische ironie die na 100 jaar dus nog altijd doorgaat. Dat zijn dus letterlijke slachtoffers. Er zijn ook andere, meer symbolische slachtoffers, maar die zijn daarom niet minder reëel.

De vraag die je kan stellen met de herdenking van de Wereldoorlog -die nu stilaan op stoom begint te komen- is of er ook nog andere slachtoffers zijn. Er wordt daarvoor wel eens verwezen naar de Krimoorlog die er ooit is geweest in de jaren 1853-1856. De Krimoorlog is de oorlog die erom bekendstaat ‘the first casualty of war’, het eerste oorlogsslachtoffer te hebben gemaakt. En 'the first casualty of war' is ‘the truth’, de waarheid. De manier waarop consensus gefabriceerd wordt, ideeën worden gestroomlijnd, appreciaties worden gegeven onder het mom van objectieve analyse en waarin de ene partij bandieten en terroristen worden genoemd en de andere vrijheidsstrijders. Dat is bij de Krimoorlog begonnen. En dit soort fabricage van waarheden, van consensus -en ik maak hier natuurlijk niet toevallig een allusie op een bekende uitdrukking ‘manufacturing consent’- dat is natuurlijk ook het geval in zo’n grootschalige oorlog en in zo’n grootschalige herdenking als degene die we nu gaan meemaken de komende vijf jaren. De waarheid zal geweld worden aangedaan. En niet alleen de waarheid van de oorlog zelf, maar ook de historische waarheid zoals wij erop terugkijken. En dat is zeker in België zo, want België is wat die herdenking betreft al gegrepen door een concurrentiestrijd. Dat is ook een vorm van oorlog, natuurlijk, een vorm van ideologische oorlog: hoe moet die oorlog worden herdacht, wat moeten we daar nu mee doen? Wat je ziet, is dat de diverse geledingen in dit land -de federale staat, de gewesten en de gemeenschappen- de Eerste Wereldoorlog aan het inzetten zijn in een bepaalde ideologische strijd, een politieke strijd, een prestigestrijd in hoge mate. Een belangrijke rol wordt daarin gespeeld door de Vlaamse regering, en een eminent lid van die Vlaamse regering is hier onder ons [toenmalig minister van Onderwijs Pascal Smet]. De Vlaamse regering heeft al aangetoond dat ze vele meningen heeft en vele gezichten telt en dat is blijkbaar ook zo omtrent deze herdenking van de Eerste Wereldoorlog. Maar niettemin ligt er in de officiële vieringen een heel duidelijk accent op wat er precies zou moeten herdacht worden. En dat accent wordt met behulp van veel geld gelegd. Waarin je heel veel kan investeren, daar trek je de aandacht op. En dan zie je dat de federale overheid kiest voor een zeer klassieke, bijna patriottische vorm van herdenking, die mee ingegeven is door het feit dat er op dat niveau niet veel geld aanwezig is, en dan zie je ook dat de Vlaamse regering een aanzienlijke som geld, een paar 10-tal miljoen, heeft geïnvesteerd in deze herdenking. De nadruk daarbij ligt heel duidelijk op de Westhoek, het ‘IJzerfront’. Waarbij het in de organisatie lijkt alsof de rest van België helemaal ontsnapt is aan die Eerste Wereldoorlog, dat daar niets is gebeurd. Het accent ligt alleen daar, op het IJzerfront. Je kan je natuurlijk afvragen waarom dat zo is. Waarom ligt er zo’n zwaar accent op dat IJzerfront ? Een deel van de verklaring is dat aan dat IJzerfront, in de loopgraven, zich de ontstaansmythe van het Vlaamse nationalisme situeert. Het is dan ook geen toeval dat de minister die verantwoordelijk is voor deze herdenkingen, de uitgever van al dat geld, een exponent is van dit Vlaams nationalisme [NVA-politicus Geert Bourgeois, minister van onder meer Toerisme en Onroerend Erfgoed]. In de herdenking heeft hij een manier gevonden om daaraan ook politiek uitdrukking te geven, waarbij het Vlaams nationalisme wordt gelegitimeerd als onderdeel van het Vlaamse staatsvormingsproces – in zodanige mate dat je kan stellen dat het risico bestaat dat het nationalisme in het centrum komt te staan van de officiële herdenkingen die door de Vlaamse regering worden georganiseerd.

Dit is één aspect, het politieke en ideologische van die Vlaamse herdenking. Het andere, en dat komt nog dichter bij de term 'circus' die in het begin werd gebruikt, heeft te maken met de commerciële kant. Het is namelijk de bedoeling dat de Vlaamse regering grote investeringen doet in toeristische infrastructuur aan, rond en in de buurt van het Ijzerfront. Ik wil het belang niet minimaliseren van het feit dat museuminfrastructuur zal gefinancierd worden, zogenaamde onthaalcentra zullen opgericht worden, enzovoort. Dat is helemaal niet nieuw. In Frankrijk is het ook op grote schaal gebeurd. In de gebieden die door de Eerste Wereldoorlog zwaar getroffen werden, en die in de voorbije decennia een grote de-industrialisering hebben gekend, heeft men ook in Frankrijk vaak de Wereldoorlog gebruikt als een trekpleister, een aantrekkingspool voor toeristische activiteit, wat uiteraard ook economische activiteit genereert, tewerkstelling levert, enzovoort.

Dit is een duidelijk accent dat ook gelegd wordt in de Vlaamse herdenking in de Westhoek, waar o.a. belevingstoerisme wordt georganiseerd. Je kan je daar morele vragen bij stellen: is dat belevingstoerisme een vorm van welbevinden dat wordt gecultiveerd door uitstapjes te maken, fietstochtjes te maken, streekbier te drinken, lekker te gaan eten, wandelingen over kerkhoven te gaan maken? Misschien ontbreekt daarbij toch een vorm van kritische reflectie. Dit is toch een accent in die Vlaamse herdenkingen dat aandacht en op zichzelf kritische reflectie verdient. Het is duidelijk geworden dat bij herdenkingen het educatieve aandeel, het pedagogische aandeel, het kritische aandeel toch grotendeels achterwege blijft. Er bestaat wel een retoriek rond vrede en vredeseducatie die kritisch genoemd zou kunnen worden, maar bijzonder diep gaat dat niet. Zoals het op historisch vlak nogal sterk bij het mythische blijft hangen en bij de vraag hoe het in de loopgraven zou zijn geweest.

De vraag stelt zich des te meer als je kijkt naar de symbolisering die tegenwoordig wordt ontwikkeld rond deze herdenking. En ik denk dat het heel belangrijk is om daar aandacht voor te hebben. De symboliek wordt om een heel specifieke reden ontwikkeld. Het belangrijkste deel van het oorlogstoerisme is vandaag internationaal en komt uit Angelsaksische landen, in de eerste plaats Groot-Brittannië waar de Westhoek en alles wat daar rond hangt een duidelijke symbolische lading draagt. De herdenking wordt er in leven gehouden door het onderwijs, dat elk jaar talloos veel scholen en studenten naar die graven en die loopgraven en naar die streek in het algemeen stuurt. Deze bezoeken hebben een heel uitgesproken discours dat bij ons weinig bekend is, althans niet gehanteerd wordt, maar nu in deze herdenking wel heel nadrukkelijk naar voor wordt geschoven. Die symboliek heeft alles te maken met het gedicht ‘In Flanders Fields’ van John Mc Gray, de Canadese dokter die in 1915 is gesneuveld en die kort daarvoor dit gedicht heeft geschreven. Het wordt geregeld geciteerd en het past voor een deel ook in de traditie van 'war poets' (oorlogsdichters) die in Groot-Brittannië nogal gecultiveerd werden. Maar in tegenstelling tot wat velen denken, is 'In Flanders Fields' geen pacifistisch gedicht. Het is een gedicht dat eigenlijk oproept om de oorlog een zin te geven door hem verder te zetten. Er wordt gesneuveld en om de dood van vorige soldaten niet zinloos te maken, wordt opgeroepen “zet de oorlog verder tot we winnen”. Het is geen pacifistisch gedicht zoals overigens ook het fameuze beeld [het treurende ouderpaar] van [de Duitse beeldhouwster] Käthe Kollwitz, dat in deze context wel eens wordt geciteerd, ook geen pacifistisch beeld is.

We kennen dit gedicht wel, we kennen ook de uitdrukking ‘In Flanders Fields’ en we kennen het symbool van het bloemetje, de poppy, de klaproos, maar die zijn eigenlijk bij ons nooit bijzonder belangrijk geweest. In tegenstelling tot in Groot-Brittannië, waar je bij elke herdenking -die daar rond 11 november uitvoerig wordt georganiseerd- altijd mensen met een zekere verantwoordelijkheid in de samenleving met poppy’s op hun revers ziet verschijnen. Ook de presentatoren op de televisie doen dat. Het is een vorm van herdenking, maar de vraag is wat ze eigenlijk herdenken? Ze verwijzen ook veelvuldig naar dat gedicht van John Mc Gray, maar wat ze eigenlijk herdenken is niet zozeer een vredesgedachte, ze herdenken eigenlijk de slachtoffers die zijn ingezet bij de Britse militaire expansie overzee, bij Britse militaire interventies in het buitenland. En daarom past zowel het gedicht als de klaproos heel uitdrukkelijk bij een Angelsaksische traditie, die behoorlijk militaristisch van aard is. Trouwens het gedicht van John Mc Gray is tijdens de oorlog al uitvoerig gebruikt door de Britse propaganda in de hele toenmalige Angelsaksische wereld, waar ook Canada, Australië en Nieuw-Zeeland bij hoorden, om te mobiliseren en om vrijwilligers op te roepen. Zowel het gedicht als het symbool van die klaproos worden zeker in Groot-Brittannië heel sterk geassocieerd met het Britse leger. Ieren en Schotten zien het als een symbool van Brits militarisme. Een Schotse voetbalploeg heeft ooit geweigerd te spelen in een poppy-shirt, niet omdat ze tegen de vrede zijn, maar wel omdat zij dat zagen als een symbool van het onderdrukkende Britse militaire apparaat.

Welnu, die twee elementen, de term ‘In Flanders Fields’ uit het het gedicht en de klaproos, zijn nu de toonaangevende symbolen geworden in de herdenking die door de Vlaamse regering wordt georganiseerd. Een van de treffende gevolgen daarvan was de voorbije 10 weken op de Vlaamse televisie te zien. Op zondagavond liep een fictiereeks -de duurste fictiereeks ooit door de Vlaamse omroep gemaakt- die uitgebreid werd gesponsord en die ‘In Vlaamse velden’ heette. En in Vlaamse velden is gewoon de letterlijke vertaling van ‘In Flanders fields’. Het is een begrip dat in Vlaanderen nooit eerder heeft bestaan en het is met deze televisieserie geïntroduceerd in het Vlaamse taalgebruik. Het is trouwens een heel fletse, letterlijke vertaling. Ik weet niet goed wat die velden ermee te maken hebben. En de serie gebruikt ook datzelfde 'bloemeke' als logo van de reeks. Het ziet er trouwens identiek uit als het logo dat de Vlaamse regering gebruikt in haar officiële communicatie rond de herdenking. Dus dit is hoe de Vlaamse propagandamachine vandaag werkt. Het is geen toeval denk ik dat men misschien een beetje onwetend, misschien zonder het Britse militarisme te willen promoten, via die symboliek teruggrijpt naar de idee van ‘In Flanders fields’. En dan kom ik bij de belangrijkste motivatie om ‘In Flanders fields’ te nemen, namelijk dat het bijna het enige begrip is waarin het woord Flanders voorkomt en dat tegelijkertijd bekend is in het buitenland: ’In Flanders fields’ is het ene, de Vlaamse primitieven is het andere. Het wordt hier duidelijk gebruikt als een vorm van 'nation branding' door de Vlaamse regering en men wil gewoon het merk Flanders naar buiten doen uitstralen. Vlaanderen is als concept in het buitenland weinig bekend, en dat wil men wat meer 'ampleur' geven. Daar dient de herdenking van de Eerste Wereldoorlog voor en daarom mag het iets kosten.