Menu

Adolf Hitler oog in oog als ‘deserteur’ met Henry Tandey

David Johnson, een Engelse historicus, publiceerde onlangs een merkwaardige studie over de lotgevallen van Henry Tandey, een Engelse soldaat tijdens de eerste wereldoorlog.  Hij beschrijft hem als één van de honderdduizenden strijders aan het front maar wel als iemand die het lot van de wereld voor een ogenblik in zijn handen had.

Desertie tussen individualisering, de civiele samenleving, macht en markt (II)



de militaire geschiedenis vanuit het perspectief van het weglopen

deel 2


Tegenstellingen I - individualisering, macht en sociale identiteit

We zijn het gewoon de geschiedenis in termen van duale tegenstellingen te zien.  Zo ook bij het bestuderen van desertie kunnen we tegenstellingen analyseren: bv tussen het collectieve (het militair apparaat) en het individu (een deserteur) ; of tussen de soldaat als held en de deserteur als
antiheld ; en tenslotte tussen de belangen van de overheid en van het maatschappelijk weefsel.  

In de deserteur kan de beweging naar maatschappelijke individualisering gevolgd worden.  Het militaire apparaat staat dan voor gehoorzaamheid, discipline, de deserteur daarentegen voor individualiteit, beslissingsvrijheid, emancipatie en burgerschap.

Het valt inderdaad op dat deserteursliederen vanaf de 18e eeuw in de ik-vorm gesteld zijn

"Ich hatte mich einmal unterschrieb'n,
Dem Könige von Preussen treu zu dien'n;
Ich dient' ihm kaum ein halbes Jahr,
Da ging das Desertieren an (…)"
Ik had er ooit voor getekend / om de koning van Pruisen trouw te dienen, / ik diende hem amper een half jaar, / en het deserteren begon al /

en :
"Nun ade, jetzt reis ich fort,
Fort in ein andres Ort.
Ob ich gleich ein Deserteure bin,
Darf ich doch Urlaub nehmen (...)"
Nou, tot ziens, nu ben ik weg, / weg naar ergens anders. / Al ben ik een deserteur, / ik mag ook vakantie nemen /

Of het beroemde :
"Zu Strassburg auf der Schanz,
Da fing mein Unglück an;
Da wollt ich den Franzosen desertier'n,
Und wollt es bei den Preussen probier'n,
Ei, das ging nicht an (...)"
In Straatsburg in de loopgraven, / daar begon mijn ongeluk; / ik wilde uit het Franse leger deserteren, / en het bij de Pruisen proberen, / maar dat ging niet door (...) /

Moeten we de deserteur dus als een held van de individualisering en de subjectiviteit opvatten ?
Maar als we wat nauwkeuriger kijken past een duaal model toch niet zo goed op de historische realiteit.  Desertie wordt door de staatsmacht, de krijgsraden en de legerpsychiaters als een
individuele weigering ten opzichte van het collectieve en als afwijking ten opzichte van het “normale" behandeld.  Maar daardoor zijn het juist deze instanties die de individualisering produceren.  Muiterij is een gezamenlijk doorbreken van de discipline, maar de deserteur doet dit alleen en wordt daarom gemarginaliseerd als “eedbreker” (18e eeuw) of hystericus en gedegenereerde nietsnut (19e eeuw).  Hiermee bevestigt de deserteur veeleer de theorie van Michel Foucault van de gezamenlijk geproduceerde subjectiviteit.  Foucault wees immers op een dynamiek van machtsrelaties, waarin elkeen participeert en aldus op een actieve wijze meebouwt aan machtsverhoudingen. Het subject onderscheidt zich van een individu, omdat het actief deelneemt aan de productie van de eigen subjectiviteit van het individu.  Of zoals Norbert Elias, die fundamenteel keerde tegen een simpele tegenstelling individu - maatschappij en het begrip ‘figuratie’ in de sociologie invoerde, als vlechtwerk van afhankelijkheidsrelaties tussen individuen onderling en tussen individuen en groepen.

De deserteur bouwt dus mee aan ‘wij'-formatie vanonderuit.  Niet alleen de staatsmacht brengt een “wij” voort, namelijk een “wij” dat staat voor vaderland, natie-staat en militaire kameraadschap.  Maar er is ook een “wij" dat spreekt uit de liederen van de huursoldaten in de 18e eeuw.  Hier zijn "heimwee" en familiale banden belangrijk.  Dat vinden we ook terug in de deserteursliederen,  als een “wij" dat het opneemt voor de ‘arme soldaten’, een slachtoffer-‘wij’ dus :

"O König von Preussen,
Du grosser Potentat,
Wie sind wir deines Dienstes
So überflüssig satt (...)
Ihr Herren nehmt's nicht Wunder,
Wann einer desertiert,
Wir werden wie die Hunde
Mit Schlägen strapaziert;
Und bringen sie uns wieder,
Sie henken uns nicht auf,
Das Kriegsrecht wird gesprochen:
Der Kerl muss Gassen lauf!"
O koning van Pruisen, / Gij grote potentaat, / hoezeer zijn wij het beu / om u ten dienste te zijn (…) / U heren verbazen er u niet over / wanneer er iemand deserteert, / wij worden dan als honden / op slagen getrakteerd; / en brengen ze ons terug, / ze hangen ons niet op, / de krijgswet wordt gesproken: / de man moet spitsroeden lopen!

Ook in "Te Straatsburg op de Schanz" wordt het ‘ik’ van de deserteur verbonden met  het ‘wij’ van de slachtoffers :
"Ihr Brüder allzumal,
Heut seht ihr mich zum letztenmal.
Unser Corporal, der gestrenge Mann,
Ist meines Todes Schuld daran,
Den klag ich an!"
Jullie broeders altegader, / vandaag zien jullie mij voor de laatste keer. / Onze korporaal, de strenge man, / heeft schuld aan mijn dood, / ik klaag hem aan !

Maar er is ook een ‘wij’ dat gemeenschappelijk handelt.  Toen tijdens de Zevenjarige Oorlog een gehele compagnie soldaten met hun officieren erbij deserteerde, liet ze dit rijmpje achter :
"Desertiren ist gefährlich,
Exerciren gar beschwerlich,
undt fünff Gröschl gar zu wenig,
Adjeu mein lieber König,
wir gehen zur Königin von Ungern,
die wird uns nicht lassen verhungern."
Deserteren is gevaarlijk, / exerceren echter moeilijk, / en vijf groschen veel te weinig. /  Adieu mijn beste Koning, / wij trekken de Koningin van Hongarije, / die zal ons niet laten verhongeren.

Het ‘Wij’ kreeg dan een heel nieuwe vorm in 1789/1848 bij de het revolutionaire ‘overlopen naar het volk’ en bij de antifascistische deserteurs tijdens de Tweede Wereldoorlog.  Toen in 1990 ex-deserteurs de “Bundesvereinigung Opfer der Militärjustiz’ (zie de blogbijdrage van Ludwig Baumann) oprichtten, kwam enerzijds opnieuw een ‘Wij’ op de voorgrond.  Maar anderzijds toonde dit ook aan hoe eenzaam het ‘Ik’ al die voorafgaande jaren geweest was.  Al bij al kan de wisselende wij-geschiedenis van de deserteurs eerder als een sociologisch groepsfenomeen gezien worden.  Hun ‘Wij’ (“Wij zijn (ook) het volk”) kan niet in een tweedeling individu-collectief gevat worden.


Tegenstellingen II - het vechtende, het deserterende en het onberekenbare volk

In relatie tot begrippen als sociale identiteit, civiele maatschappij, natievorming en etnie vertoont de
deserteur nog andere tegenstellingen die gedeconstrueerd moeten worden.  Er zit een belangrijke tegenstelling tussen de idealisering van de soldaat enerzijds en van de deserteur anderzijds.

Aan de ene kant wordt de geschiedenis van de moderne natiestaat gekenmerkt door de stelling dat het leger en het volk één zijn.  Tegen deze achtergrond verschijnt de deserteur ofwel als een verrader of als een pathologische uitzondering, als een afwijking van de norm.  Nazi-jurist Reinhard Höhn zei in 1944 dat het leger de uitdrukking van de ‘volkskracht’ is.  Voor de nazi’s was een desertie dus de meest eerloze, de meest schandelijke en de meest zwaarwegende stap die een soldaat uit het Volksleger kan zetten.  Desertie betekent landverraad, hoogverraad en is de zwaarste van alle misdaden. (...)  Ze is de uitdrukking van politiek-moreel verval en een diep ongeloof in de zaak van het volk.  Als de soldaat een ‘burger in uniform’ dan wijkt de deserteur van de normaliteit van het ‘burgerschap’ af en betoont hij zijn ‘afwijkende socialisatie’.  Deze zienswijze gaat terug naar het begin van de natiestaat, toen leger en volk één identiteit moesten hebben.  Achter deze opvatting schuilt de overtuiging dat buitenlanders zullen eerder deserteren dan burgers ‘van het eigen volk’.

Als antithese tegenover deze natieconsensus staat de stelling dat deserteurs het echte volk vertegenwoordigen.  Desertieliederen nemen daarom een belangrijke plaats bij de ‘democratische volksliederen’.  Maar desertie bestaat in verschillende vormen.  Zo zijn er bijvoorbeeld de overlopers (hoewel dit eerder zelden voorkwam).  "Ik, zoon van het Duitse volk, zweer dat ik zolang zal vechten tot het volksvijandelijke Hitler-regime geëlimineerd is.”  Deze eed van ‘overlopers’ die tijdens de Tweede Wereldoorlog het Nationale Comité voor een vrij Duitsland’ toetraden, draaide de trouw ten aanzien van het volksleger waaruit ze kwamen, volledig om. Voor gewapende desertie kozen in WO-II ook een aantal mensen uit de Jeugdbeweging en werden later de Edelweiss Piraten genoemd.  Het waren jongeren uit alle lagen van de bevolking, vaak zonder ideologische grondslag, maar verenigd in hun afkeer van de nazi's en vooral van de Hitlerjugend. In 1999 liepen de meeste Kosovo-Albanese UCKK-rebellen over vanuit het Joegoslavisch leger.

Een andere variant van het omkeren van het heldendom is de tegenstelling antimilitarisme versus militarisme.  De deserteursmonumenten van de jaren tachtig zijn hiervan een voorbeeld.  Ze wilde de idealisering van de soldaat bekritiseren en kozen voor een monument als methode om een model naar voren te schuiven, hier een model van protest, van weigering.   Er is een vloeiende overgang tussen de anti-fascistische strijder, de antimilitaristische volksmassa en de anti-held, de deserteur als de belichaming van het ‘onheldhaftige’ volk, dat alleen maar wil overleven.  De tegenstelling tussen het vechtende en het deserterende volk hoort in ieder geval bij de moderne tijd. Een volksverrader kon maar volksheld worden, nadat het volksbegrip gedemocratiseerd was.  

In 1525 weigerden huurlingen op te treden tegen hun 'broeder boer’ (Bruder Bauer).  We zien dit ook wanneer soldaten overlopen naar het volk, bv  in 1789 of in 1848, of bij de stakingen en bezettingen van kazernes in 1989 (“Wij zijn het volk”).  Maar het volk is niet altijd een eensgezind en consequent blok.  Soms weigert het alle medewerking, soms volgt het de overheid, soms aarzelt het, soms is het hopeloos verdeeld.  Ook binnen het leger spelen tegenstrijdige tendenzen :  er is de ‘korpsgeest’ die desertie tegenwerkt en er het ‘heimwee’ dat aanzet tot weglopen.  De deserteur zit op de wip tussen het civiele en het militaire leven.  Hij is het levende bewijs dat de mens als een soldaat zijn identiteit als burger nooit helemaal aflegt, en dat hij ook in uniform zijn onvoorspelbaarheid niet opgeeft.

Een van de tegenstellingen vanuit civiel standpunt is de spanning tussen subjectieve individualisering ("Ik maak me uit de voeten") en sociale identiteit.  De slogan van de jaren tachtig, "Stel je voor, er is een oorlog, en niemand gaat erheen”, kan worden opgevat als "wij gaan er niet heen” - maar het is historisch en situationeel niet altijd duidelijk wie dat ‘wij’ is.  Peter Sloterdijk knoopt hier de filosofische bedenking aan vast dat “de mens niet alleen op de wereld is”.  Ook de deserteur niet.  Zijn beslissing en zijn daad hebben altijd een maatschappelijke context.  De driehoek deserteur - soldaat in een militaire context - burger in de civiele maatschappij is dus essentieel.  


Tegenstellingen III - de overheid, de civiele samenleving en de huurlingenmarkt

In tijden van globalisering en privatisering ontstaan (opnieuw) privé-legers en dus ook een huurlingenmarkt.  Dit roept herinneringen wakker aan de vroegmoderne periode toen er een soort ‘huursoldatengilde’ bestond, maar ook aan de 18-e eeuw, toen huurlingen de ‘keuze’ hadden tussen verschillende legers.  Daardoor ontstonden ook economische motieven om te deserteren, namelijk om naar een ander leger over te lopen waar de voorwaarden aantrekkelijker waren.   Vandaag is de context voor huurlingen echter op een markt die door het verdwijnen van de natiestaten en het einde van het monopolie van nationale legers gekenmerkt wordt, helemaal anders.  

Hoe dan ook, de nieuwe opkomst van een huurlingenmarkt maakt het moeilijk om zoals in de conventionele militaire geschiedschrijving gebruikelijk was, het fenomeen van de deserteur enkel vanuit het perspectief van een nationale overheid te bekijken.  In een wereld waarin voortdurend nieuwe oorlogscontexten ontstaan, zal ook een nieuwe psychologie van de ‘vechtende soldaat’ én van de deserteur ontwikkeld moeten worden. 

 


Henning Eichberg, Kopenhagen

Henning Eichberg (°1/12/1942 in Schweidnitz, Silezië) is een Duitse socioloog en historicus, verbonden aan de University of Southern Denmark in Odense.  Hij spcialiseerde zich in de filosofie van de lichaamstaal en schreef veel over volk en natie

Het originele artikel kan nagelezen worden in Zeitschrift für Historische Forschung, 27, 2(2000): 229-247

Desertion zwischen Individualisierung, Zivilgesellschaft, Macht und Markt
Militärgeschichte aus der Perspektive des Weglaufens - deel 2

Zuid-Korea: Myunglin Moon in afwachting van zijn gevangenstraf

Zuid-Korea heeft een bevolking van 50 miljoen inwoners en onderhoudt een leger van 685.000 mannen en vrouwen.  Het land heeft het vijfde grootste leger ter wereld.  Voor alle mannen geldt dienstplicht.  De duur van de militaire dienst is 21 tot 24 maanden en er bestaat geen recht op gewetensbezwaar.  Gewetensbezwaarden worden als deserteurs beschouwd en veroordeeld tot 18 maanden gevangenis en krijgen nadien te maken met ernstige discriminatie in de samenleving.  Pas na het ontstaan ​​van een politieke gewetensbezwaardenbeweging in 2000 en de eerste openbare niet-religieuze dienstweigeraars kwam er buitenlandse belangstelling.  Momenteel zitten meer dan duizend ‘deserteurs’ in Zuid-Korea in de gevangenis.


Myungjin Moon is actief in de NGO 'World Without War’.  Hij zet zijn redenen uiteen om tegen het dragen van wapens te zijn.

De redenen voor mijn bezwaar tegen wapens :

1.  Naar de gevangenis gaan in plaats van naar het leger is een van de meest cruciale kwesties in mijn leven.  Er is niet één moment waarop ik gekozen heb om militaire dienst te weigeren, noch is het gemakkelijk om mijn beweegredenen in eenvoudige bewoordingen uit te leggen.  Eén ding is zeker.  Het viel me steeds moeilijker om als soldaat wapens te moeten opnemen.  Daarom wil hierna in het kort mijn denkproces beschrijven dat me ertoe bracht om ​​gewetensbezwaarde te worden.  
Ik begon over de staat, het leger en oorlog na te denken, toen de door de VS geleide oorlog tegen Irak losbrak in 2003.  En na protesten tegen het besluit van de Koreaanse regering om ook troepen naar Irak te sturen, vroeg ik me af wat onder ‘het nationaal belang' verstaan wordt.  Over wie gaat dat ‘nationaal belang’ ?  Er ontstond een spanning binnen mijn eigen gedachten en overtuigingen. Ik identificeerde me met ‘de staat’ en ik stelde me (nog) geen vragen bij het Koreaanse gezegde dat iedereen in het schoolsysteem onderwezen krijgt :  “De fysieke kracht van het individu is de kracht van de natie”.  Ik begon te beseffen dat de ‘echte wereld’ ver verwijderd stond van wat ik erover had geleerd en wat ik dacht hoe ze was.  Dit besef kwam tot stand na het geweld van de politie tegen demonstranten te hebben meegemaakt.  Ik was er altijd van uitgegaan dat de politie 'voorstanders van gerechtigheid' waren.  
Ik voelde me steviger en had helderder gedachten hebben over mijn gewetensbezwaren, toen ik me inzette voor het protest tegen de uitbreiding van een Amerikaanse militaire basis in Pyeongtaek in 2006.  De dorpelingen wilden kunnen werk op het land waarop zij waren opgegroeid.  Maar de  overheid stuurde het leger en de oproerpolitie op hen af om hen te verdrijven.  In de vroege ochtend van 4 mei zag ik met mijn eigen ogen het meedogenloze geweld van leger en politie, toen ze eraan begonnen om het verzet van de dorpelingen en de demonstranten te kraken.  Mensen reageerden net zo heftig terug, of verstijfden bij het zien van zoveel staatsgeweld.  Op dat moment was ik aan de ene kant voorbereid om op een geweldloze manier terug te vechten en te proberen niet zo’n duivel te worden als zij; maar aan de andere kant voelde ik een oerangst bij het zien van ‘mijn’ strijdkrachten die ​​voor de nationale veiligheid moeten instaan en hier de aanval op hun eigen medeburgers inzetten als waren zij hij vijanden.
Voor mij is het leger dé plek waar geïnternaliseerd is om een ​​mens niet meer als mens te zien.  Ik werd getekend door het geweld van de oproerpolitie en de strijdkrachten, door de kaarlichtwake tegen de invoer van Amerikaans rundvlees dat besmet was met de gekkekoeienziekte en door nog een andere gedwongen ontruiming die de levens van zes mensen in Yongsan kostte.  Ik vroeg me af hoe zoveel geweld van een mens tegen een andere mogelijk is.  Ik heb geprobeerd om te begrijpen hoe iemand een raket kan afvuren naar een plek waar zich mensen zoals hij/zij zich bevinden, terwijl ik naar de oorlog in Irak en Afghanistan op de televisie keek.  Mijn conclusie was dat je een geweer enkel kan richten, indien je de ander niet ziet als iemand met dezelfde gevoelens en behoeften als jijzelf.  Het werd me duidelijk dat om deel uit te maken van de krijgsmacht, ik me moest leren gedragen als een robot, die bestaat om gemobiliseerd te worden en te gehoorzamen aan het staatsbelang.

2.  In afwachting van de dag dat ik (misschien) in de gevangenis beland, denk ik aan de kinderen die ik ontmoette tijdens mijn lesstage.  Het was leuk te ervaren om te beseffen dat ik er voor hen toe deed.  Ze wilden mijn handen vasthouden om samen naar de kantine te lopen en vroegen om naast me te mogen zitten tijdens de maaltijd.  Het deed me plezier om steen-papier-schaar met hen te spelen, een brief te krijgen met een bedanking dat ik een pennenzak had opgeraapt die op de grond was gevallen, en kinderen te horen vertellen dat ze zoals ik voor leerkracht wilde studeren. Ik wilde me bewust inleven in de vreugde en de pijn van elk kind.
Aan de universiteit studeerde ik pedagogie en ging ik me vragen stellen over de aard van het onderwijs en hoe groei en ontwikkeling bij de mens in zijn werk gaat.  Zo kwam ik ertoe na te denken over hoe ik mijn leven leef, en wat ik op dit moment het meest waardeer.  Ook al was het maar een onderwijsstage van een maand, werd het me duidelijk dat het doel van onderwijs is om te leren hoe elkaar lief te hebben.  Er zullen altijd conflicten zijn, en toch geloof ik dat we onszelf kunnen leren kennen door de omvang en de grenzen van het zelf te scheiden van de conflicten, en verbindingen met elkaar te ontwikkelen.
Ik begrijp 'veiligheid' als een pek waar mensen kunnen leven en zich veilig voelen.  Het draagt ​​niet bij tot ‘veiligheid’ om andere mensen als minder dan menselijk te beschouwen, en dodingsvaardigheden te trainen.  Ik wil me niet als een soldaat voorstellen die geacht wordt bij te dragen aan de nationale veiligheid en gevoelens van angst en vijandigheid moet kweken tegen wat 'de vijand’ wordt genoemd. Ik wil geen deel hebben aan het mechanisme waarmee het militarisme - en de hiërarchische en door mannen gedomineerde cultuur waaraan ik onderworpen ben -, het individuele geweten verwaarloost, en zo heerst en groeit met als enig bestaansrecht zijn militaire macht.

3.  Ik herinner me een bezoek aan de Democratische Volksrepubliek Laos vorige maand voor de eerste bijeenkomst van staten die betrokken zijn bij het Verdrag inzake clustermunitie.  In Laos verliest gemiddeld één persoon per dag zijn/haar leven als gevolg van niet-ontplofte clusterbommunitie.  Dit betekent dat miljoenen clusters die de VS gedurende de Indochina-oorlog dropte, nog steeds het leven van inwoners bepaalt.  Custermunitie wordt door de internationale gemeenschap als een ‘onmenselijk wapen’ gezien, maar de Zuid-Koreaanse regering beweert nog steeds nood te hebben aan clusterbommen “in het belang van de nationale veiligheid”.  Ondertussen maken Zuid-Koreaanse bedrijven zoals Hanwha en Poongsan winst met de productie en export van clustermunitie.
De regering maakt zich sterk dat ze een hardere houding moet aannemen tegen Noord-Korea na de incidenten rond het Yeonpyeong eiland.  Op hetzelfde moment verschijnen er artikels in de pers die het MLRS (Multiple Launch Rocket System), de trots van de Koreaanse strijdkrachten, aanprijzen.  Het is echter niet de Noord-Koreaanse artillerie maar iemands leven en onze menselijkheid die worden verwoest door de Zuid-Koreaanse MLRS-artillerie.  Niet Noord-Korea alleen moet worden bekritiseerd, maar ook Zuid-Korea moet de verantwoordelijkheid voor de huidige staat van verhoogde spanning accepteren.  In het Zuiden vielen er verschillende doden tijdens de militaire conflicten, maar zo zijn er zeker ook mensen gewond of gedood in het noorden.  Hoe meer we angst en vijandigheid tegen elkaar ontwikkelen, hoe meer tranen er zullen vloeien over de slachtoffers van geweld.
Niemand verdient te worden gedood.  Zowel Zuid-Korea als de omringende landen moeten ermee stoppen altijd maar meer geld uit te geven aan oorlog.  Slechts enkelen uit de heersende klasse en de wapenindustrie halen profijt uit het opdrijven van vijandigheid en het aanjagen van de bewapeningswedloop.  Geweld leidt tot een vicieuze cirkel van meer vergelding en meer geweld.  Mijn dienstweigering is zowel de minste als de beste houding die ik tegen deze vicieuze cirkel van geweld kan aannemen.

4.  Dankzij mijn bezwaar tegen militaire dienst ben ik nu beter in staat om te reflecteren over mijn manier van leven, over feminisme en pacifisme.  Dank zij de mensen van ‘World without War’ werd ik vegetariër en begon ik te fietsen.  Ik denk er nu over na om op een manier te leven waarbij ik minder verdien, minder verbruik en zo weinig schade berokken aan de aarde.  Hoe ik nu ben, is heel erg beïnvloed door het nadenken over dienstweigering en mijn deelname aan de vredesbeweging.
Daar staat tegenover dat de gevangenisstraf die me te wachten staat, me heel veel stress bezorgt.  Het was pijnlijk om mezelf in de gevangenis voor te stellen, telkens dat ik plannen maakte voor de toekomst.  Het was niet makkelijk om mijn moeder in de ogen te kijken, wanneer ze probeerde me te overtuigen mijn beslissing te herzien door te zeggen dat ik spijt zal krijgen na mijn straf te hebben uitgezeten.  Ik was zowel bedroefd als boos, toen ik ruzie kreeg met mijn ouders over mijn keuze, omdat ik een soort van schuldgevoel kreeg dat ik niet voldeed aan de verwachtingen van mijn ouders.
Last but not least, wil ik mijn kameraden bedanken die me hebben meegeholpen om mijn gedachten vorm te geven.  Ik hoop dat mijn dienstweigering anderen aan het denken zal zetten over de bestaansredenen van het leger.  Ik wil het militarisme in de Koreaanse samenleving in vraag stellen en niet enkel maar doen nadenken over de vrijheid van geweten.  Ik hoop dat mijn gewetensbezwaren mij in staat zullen stellen om me in te leven in andere mensen en gevoelig voor hun toekomstige pijn te blijven.


Deze bijdrage is de negende in een reeks getuigenissen die we met Waanvlucht ook op DeWereldMorgen posten.

wat normaal laakbaar is wordt nu een deugd

 “t geen anders in 't gewone leven laak- en strafbaar was, wordt hier als de hoogste menselijke deugd aangerekend.(Stijn Streuvels)

 

W.O.-I bracht voor Streuvels niets dan ellende. De gevierde Vlaamse schrijver (1871 - 1969) luisterde vanuit zijn Lijsternest naar het oorlogsgedonder vlakbij. De oorlog deprimeerde hem en verlamde zijn creativiteit. Bij het begin van de vijandelijkheden vluchtten zijn vrouw en kinderen naar Amsterdam (van oktober 1914 tot februari 1915). Streuvels volgde in december. De hele oorlog lang hield hij een dagboek bij dat in deeltjes bij zijn Amsterdamse uitgever L.J. Veen gepubliceerd werd. Al snel echter werd Streuvels hiervoor zwaar op de korrel genomen en werd hem duitsgezindheid verweten. Tot spijt van zijn uitgever stopte hij in februari 1916 de uitgave van het journaal. Vele jaren later, in 1972, verscheen het dagboek toch in extenso.

 

Enkele citaten die over vluchtelingen, lafheid en oorlogspropaganda gaan. Het volledige dagboek is op de site van de Digitale Bibliotheek van de Nederlandse Letteren (www.dbnl.org) te lezen.

 

 

15 september 1914 (blz 134-137)

 

In De Landwachtstaat het volgende: Krijgsraad.

 

De Krijgsraad van de vijfde legerafdeeling vergaderde in het Gemeentehuis te Ruysbroeck. Een aantal soldaten verschenen voor den raad onder betichtingen van allerlei aard. Vier kanonniers werden veroordeeld tot 15 jaar dwangarbeid, om bij het gevecht te Londerzeel (24 Augustus) een kanon verlaten te hebben, zonder te pogen het terug te nemen. Dank aan de dapperheid van twee officieren, viel het kanon niet in de handen van den vijand. Het strenge vonnis zal bepaald den soldaten tot voorbeeld dienen. Andere middelen werden voor smaad, bedreigingen, ongehoorzaamheid en om te loopen als de vijand afkwam, verwezen van 1 tot 3 jaar inlijving in eene strafkompagnie.

 

Heldenmoed en vreesachtigheid is ook maar een kwestie van zenuwen, verzekert men. La frousse kan een mens van goede wil overkomen en hem zodanig overmeesteren dat hij niettegenstaande de beste inzichten, laf wordt, omver valt of lopen gaat. Dat heb ik hier bij de burgerbevolking kunnen opmerken. Dezen die altijd 't hoogst opgelopen hadden met hun moed, heb ik zien vallen en kruipen als laffe hondjes, anderen, waarop niemand had durven rekenen, bleven kalm en beraden. De zaak is : dat men op voorhand niet weten kan welk figuur men zal maken en men het bij zichzelf eerst ondervinden moet eer men zeggen mag : ik zal mij sterk houden. Ik vraag mij echter af, hoe de mensen zich verantwoorden zullen die aan de schrik hebben toegegeven zonder er schijn van gevaar was ? Ik kan b.v. aannemen dat een burgemeester in moeilijke omstandigheden, de kop verliest en om geen verantwoordelijkheid te dragen, aan 't lopen gaat. Dat is verschoonbare lafheid, waarbij hij te kennen geeft aan zijn ambt te willen verzaken; maar dat die burgemeesters kalmpjes terugkeren als het schijngevaar voorbij is en doen alsof er niets gebeurd was en hun ambt weer opnemen, dat is hier alleen mogelijk ... omdat de burgerij niet nadenkt en er misschien politieke partij in gemengd is. Vandaag weer vindt men het nodig daarover een berichtje te verkondigen :

 

Over de burgemeesters.

 

De Patrie' van Brugge schrijft een goed beredeneerd artikel over burgemeesters en gemeenteraadsleden die, zoodra zij eenig gevaar vermoeden, door schrik hunne gemeente met haast ontvluchten, als het hunne plicht is te handelen gelijk een zeekapitein die maar zijn schip verlaat als alle hoop opgegeven moet worden. Maar de Patrie' doet ook opmerken dat men als vluchtelingen niet mag aanzien burgemeesters, schepenen en gemeenteraadsleden die, aan hunne plicht getrouw, slechts hunne gemeente verlaten als bijna al de inwoners ontvlucht zijn en er geen middel meer bestaat hunne medeburgers te beschermen. Men kan toch niet vergen dat zij bijna alleen in hunne stad verblijven en zich alzoo aan den vijand overleveren om als gijzelaars te dienen en soms om gefusiljeerd te worden. (Het Volk, 15 september).

 

Het geldt niet alleen burgemeesters; ik denk aan die onderpastor van Elsegem, die op de vermaarde Vliegende Maandagop een hoeve vluchtte, er zijn toga afwierp en ze deed verbranden eer hij met de kleren van de boer uitzette !

- Men vertelt ook dat, toen de geestelijkheid van Deerlijk door de Duitsers opgevorderd werd om bescheid te geven over de aanval op de verkenners, de pastor noch zijn twee onderpastors nergens te vinden waren ! Een ervan heeft eerst twee dagen later durven uitpiepen. Integendeel hoort men elders van wondere vastberadenheid bij geestelijke en wereldlijke overheid, die soms voor gevolg heeft dat een hele gemeente aan de ramp ontsnapt. Er zijn er zelfs die, bewust van de waardigheid en de plichten van hun ambt, liever hun leven lieten dan een stap te wijken.

Dat er uit vrees om ongemakken te voorkomen ongeoorloofde dingen gebeuren, zelfs door heel brave lieden, is ook gemakkelijk aan te nemen. Ik vind hier weer een berichtje waar er melding van wordt gemaakt :

 

Aandachtig lezen. - In West-Vlaanderen.

De heer arrondissementskommissaris heeft het volgende bericht medegedeeld :

 

Waarschuwing. - Ik heb vernomen dat in gemeenten van mijn arrondissement landbouwers en bijzonderen, vijandige soldaten in hunne schuren of andere plaatsen verborgen gehouden hebben. Dergelijke handelwijze is hoogst laakbaar, en moet beschouwd worden als een verraad jegens het Vaderland. Daarom laat de heer kolonel-bevelhebber van het 5e korps vrijwilligers mij toe u kenbaar te maken, dat alle persoon bevonden wordende vijandelijke soldaten verborgen te hebben, zal beschouwd worden als spioen en veroordeeld worden volgens de oorlogswetten.

 

De arrondissementskommissaris,

Baron Van der Gracht d'Eeghem.

 

Nota. Dergelijke waarschuwing is toepasselijk voor geheel het land.

 

Dat noem ik : de oorlogs-opvoeding maken van een volk ! Eerst als er op de eigen streek iets gebeurt, dat men ter plaatse kan nagaan, ondervindt men hoeveel onzin er in de bladen gedrukt wordt en hoeveel vertrouwen men nog hebben mag in 't geen men leest. Er zijn echter verschillende oorzaken die deze toestand verklaren. Vooreerst is de pers er niet altijd op gesteld de nauwkeurige waarheid te geven en de voorvallen aan te halen gelijk ze gebeurd zijn. De handeling van de vijand moet in 't zwart uitkomen en moed en vaardigheid van onze soldaten moeten in 't licht gebracht. Er zijn nog meer andere oorzaken die de oorlogsreportage bemoeilijken; o.a. als het geval reeds aan het blad overgemaakt wordt, is er nog niemand die weet hoe de de zaak zich heeft voorgedaan. Niemand kent de ware toedracht om de goede reden : als ergens een schermutseling begint, het merendeel die er bij tegenwoordig zijn, nemen de vlucht en de overigen verliezen de kop en weten niet wat er gebeurd is. Men denkt er echter niet aan hoeveel onrust en schrik veelal veroorzaakt worden door die leugenachtige berichten.

 

In een groot weekblad : 't Getrouwe Maldeghem (daar heeft men ten minste tijd om bevestiging van het nieuws te eisen?) kreeg ik het relaas over de slag te Doornik ... Het heette er :

De veldslag van Avelgem ! Volgens de berichtgever was heel de streek langs de Schelde geplunderd en platgebrand; er was kwestie van niet minder dan stromen bloeds over heel de doortocht, alhoewel de blote waarheid luidt : dat er buiten Doornik zelf, geen schot werd gelost en hoegenaamd geen slag werd geleverd. Mijn familie in Brugge, waar men dit stuk gelezen had, was niettemin in doodsnood over 't geen ons was overkomen !

Over de gebeurtenissen te Deerlijk drukt een Gents blad het volgende. Men kan zich hiermede een gedacht vormen in welke toon onze volksbladen werden opgesteld en hoe men moedwillig de feiten verdraait.

 

In 't Kortrijksche.

 

De doortocht der Duitsche troepen in de omstreken van Kortrijk werd gekenmerkt door nieuwe ongehoorde gruweldaden. Zooals wij verleden week gemeld hebben, werden Dinsdag te Deerlijk vier uhlanen gedood door een peloton gendarmen en vrijwilligers. Drie dagen nadien verscheen opnieuw eene Duitsche patroelje in de gemeente Deerlijk en daar zij met een 35-tal mannen sterk was, waren de Pruisen veel stouter en drongen door in de richting van Kortrijk. Eene Belgische patroelje, verwittigd, trok de Duitschers tegemoet en eene hevige schermutseling had plaats. De vijandelijke patroelje had verscheidene dooden en gekwetsten en om zich te wreken vielen zij de bewoners van Deerlijk aan, staken verscheidene hoeven in brand en deden de jonge mannen voor hen marcheeren,

De genaamde Deghezelle werd door een Pruis gedood, omdat hij weerstand bood. De ongelukkige werd door eenen kogel in volle borst getroffen en was op den slag dood. De Duitschers trokken vervolgens naar Harelbeke en Zwevegem. Te Harelbeke staken zij insgelijks talrijke hoeven in brand en te Zwevegem eischten zij levensmiddelen.

De patroelje die door Zwevegem trok, wilde zich rechtstreeks naar Kortrijk wenden, doch slecht bekwam het. In de nabijheid van den molen van landbouwer Soete, werden de Duitsche barbaren onthaald op geweerschoten van eene patroelje gendarmen. Vier Duitsche uhlanen vlogen uit den zadel en werden gekwetst. Hunne paarden werden buitgemaakt en naar Kortrijk gebracht; de overblijvende uhlanen hadden zich uit de voeten gemaakt. Deze vluchtelingen drongen in de hoeve Vermeulen en met den revolver in de hand dwongen zij den landbouwer te zeggen wie op hen geschoten had, indien het vrijwilligers, gendarmen of burgerwachten waren.

Tweemaal hernieuwden de uhlanen hunne vraag en de landbouwer kon geen stellig antwoord geven, daar op het oogenblik dat er geschoten werd, hij op zijn land aan den arbeid was en spoedig naar huis was geloopen. De Duitschers maakten daarop rechtsomkeer en vervolgden hunnen weg.

Een 16-jarig meisje, de dochter van den smid Verheust, wonende op het gehucht van den molen Soete, stond op den dorpel harer deur, toen de eerste schoten werden gelost. Het meisje werd door eenen kogel in den onderbuik getroffen; erg gekwetst werd de ongelukkige naar het gasthuis gebracht, waar zij bezweek. Tijdens de schermutseling die plaats had aan de Vogelmarktwerden twee nieuwsgierigen, die de Duitschers achtervolgden, gekwetst, doch gelukkiglijk niet erg.

 

 

 

27 september 1914 (blz 159 - 161)

 

Een schone zondagmorgen ! Met twee vrienden, die mij komen ophalen, rijden wij in fiets naar Oudenaarde. Prachtig zonneweer, windstil, heerlijke wegen, vol goed en genoegelijke herinneringen uit de jeugdtijd. Te Petegem ontmoeten we de eerste schildwacht en we moeten onze papieren vertonen. Wij vernemen dat in Oudenaarde Belgische soldaten liggen, dat men er loopgrachten maakt, de Schelde bewaakt en de bruggen ondermijnt ! Al dingen die ons aanzetten te gaan zien. Bij 't inkomen der stads reeds, wordt ons verboden te rijden - men moet te voet gaan. In de stad is alles rustig, stil en zonder beroering. In de Gouden Appeldie gekend is om zijn welverzorgde en lekkere tafel, kan men ons niets anders opdienen dan een stuk gebraad. We zijn er de enige klanten. 't Is hier dus ook oorlogstijd ! In de namiddag gaan we de versterkingen zien. Door een vriend uit Oudenaarde, worden wij voorgesteld aan de Bevelhebber der plaats, die zo vriendelijk is ons rond te leiden en ons te woord te staan.

 

Mijn mening echter is, dat de ledige haringtonnetjes die hier langs de Schelde zijn opgesteld, een flauwe verschansing vormen en niet veel Duitsers de weg zullen versperren ! De vrijwilligers die hierbij de wacht houden, zien er uit als figuranten in een blijspel, zo wijd zijn hun nieuwe kleren ! En die loopgrachten langs Ename ? Ofwel is hier iets ophanden, of het dient enkel om de jongens te oefenen ? De inwoners van Oudenaarde maken echter 't onderscheid niet en blijven vol onrust, gereed om te vluchten. De bevelhebber doet vreselijk zijn beklag over de bevolking. Deze morgen nog, waren er Duitsers op gang naar Oudenaarde, maar door de inlichtingen die de burgers hun verschaft hadden, zijn zij een andere weg ingeslagen en verdwenen. De bevelhebber, die zienling spijtig is dat hem de kans ontnomen werd, met zijn jongens een slag te slaan, doet vooral zijn beklag over de vrouwen. Ik doe hem het voorstel de klappeien de tong te laten afsnijden. - Dan nog zouden ze niet ophouden te babbelen!, merkt hij ironisch.

 

't Geen wij hier zien, is werkelijk niet de moeite waard, maar men krijgt toch de indruk dat het slagveld zich uitbreidt als een olievlek en de uiterste randen nu ook al tot hier uitzetten. Geen mens kan de Schelde over, zonder zijn papieren te laten zien. In 't terugkeren geraken wij zelf in moeilijkheden met een wacht, die, naar het schijnt, ons pasport niet lezen kan. Een gemoedelijke gendarm van de streek, brengt de zaak in orde. Nu staat de jonge vrijwilliger, die ons eerst met 't ergste bedreigde, zelf verlegen; hij doet mij de indruk van een van die geïmproviseerde wachters die men opstelt in een wereldtentoonstelling; brave jongens die men ergens opgevist heeft voor de gelegenheid en die als prestige, niets anders bezitten tenzij hun fonkelnieuw uniform en een ordenummer. De gendarm integendeel is een goede, gedaagde, landelijke kerel die zijn plicht volbrengt als een boerenknecht, zonder verwikkelingen te zoeken waar ze niet nodig zijn. Hij schijnt er niet mede in zijn schik omdat hij voor 't eerst zoveel jeugdige onderdanen onder zijn bevel heeft. Hij staat er midden in als een vader die bang is zijn gezag te doen gevoelen op kinderen die te groot geworden zijn !

 

De wezens van die jonge vrijwilligers zijn ook belangrijk om na te gaan. Op goed geluk zijn die knapen hier bijeengevallen, hun getienen, op dat buitendorp; zij kennen elkaar niet, zijn verschillend van aard, stand en gezindheid. Wat moeten zij ondervinden, dezen die in een ogenblik van blakende geestdrift hun leven en bloed voor 't Vaderland verpand hebben in 't gedacht te mogen gaan strijden met de menigte - te oorlogen! - en ze hier, die zondagavond verdoen met voorbijgaande burgers te vervelen en 't gevaar van een aanval trotseren moeten onder bevel van een gemoedelijke gendarm ?! Wat al ontgoochelingen zullen ze opdoen, die jongens ! Welk een verschil bij 't leven van een soldaat bij 't leger ?! Ik denk nu aan die talrijke zonen uit de gegoede burgerstand, die uit hun geregeld en bezorgde huiselijkheid, plots gevallen zijn in de drukte van een kamp. Alle teergevoeligheid, alle verzorging afgeschaft en de dag door in de gemeenzaamheid met een onbekende menigte waar al de soorten in vertegenwoordigd zijn ! Opgewekt bij stonden en meegesleept als in een stroom en dan weer overgelaten aan zichzelf en in de gelegenheid om na te denken aan 't geen men verlaten heeft ! Er zijn er die bang zijn van aard, die beven voor 't gevaar dat komen moet en zich stout gebaren uit eergierigheid, om niet als lafaards beschouwd te worden. En de onzekerheid over 't geen alle dagen gebeuren kan; 't gevoel dat men zijn wil volledig heeft afgestaan en gehoorzamen moet wat ook het bevel zij ! En als dat nu weken en maanden duurt, zonder uitkomst ! Hoe moeten ze dromen 's nachts, die jongens, dat ze weer thuis in hun normaal leven zijn teruggekeerd en hoe moeten ze pijnlijk getroffen worden door de werkelijkheid, bij 't ontwaken ! Hoe dikwijls moet de verwende burger de bovenhand krijgen boven de soldaat en moeten die twee elkaar bezien als personen die met elkaar geen uitstaans hebben !

 

De Zeppelin van verleden nacht heeft zijn bommen geworpen te Deinze ! Waarom hij deze plaats uitgekozen heeft en er schade aanrichten moest, is niet gekend ?

 

 

13 oktober 1914 (blz 192 - 197)

 

Grijs, bewolkt, koude regen, vliegtuigen, kanongeschut, eenzaamheid, geen mens langs de baan, geen nieuws hoegenaamd, ook niet van mijn huisgenoten ! Ik weet niet of ze in Brugge zijn, in Holland, of in Engeland ! Als ze maar thuis waren ! Nu kan ik niets anders doen tenzij blekken op het weer en pijpen roken, zonder einde ! Ik wist niet dat een oorlog zulke verveling kon meebrengen. Om mij wat te verstrooien ga ik mijn oude agenda's te rade en zoek er na 't geen in die zelfde oktobermaanden van de verleden jaren al is voorgevallen. Gelukkige tijd toen wij onbewust van de vrede genoten en niet wisten dat een oorlog kon bestaan! en onze gedachten enkel in de richting van 't open, brede leven opschoten ! Wie weet, komt voor ons wel ooit die schone tijd terug ?

 

Ik wil aan de nood voldoen om uit de eenzaamheid weg te komen, mensen te zien en te spreken. Door 't vuile herfstweer, wandel ik naar Tiegem. Daar ook echter wacht mij een desillusie en 't is 't geval te zeggen met Thomas à Kempis : Telkens ik bij de mensen ben geweest, ben ik minder mens teruggekeerd ! Alles slecht nieuws wat men verneemt over de toestand, vergezeld van klachten en treurnis. Men ziet er niet klaar in en men kan niet raden wat het worden moet ! Zijn die Duitsers dan almachtig en onoverwinbaar dat ze tegen drie, vier landen oprukken en niemand ze tegenhouden kan ? Er is geen front of slaglijn meer, - de Duitsers rukken op langs alle kanten. Antwerpen is gevallen en hun formidabele raid, waarvan sprake was, is reeds uitgevoerd. Onze soldaten integendeel zijn ontmoedigd - het was een lamentabele aftocht van Antwerpen tot Duinkerke! een vlucht ! Vroeger reeds werd er gefluisterd dat onze officieren niet deugden; nu wordt het luidop gezegd en de brieven van veel soldaten getuigen dat het er heel slecht mede staat - de troepen zijn erdoor gedemoraliseerd !Onze oversten zijn goed om champagne te drinken, schrijft een soldaat, - ze delen hun bevelen uit van ver, of per auto, en zogauw we in 't vuur komen, zijn ze vertrokken en wij aan onszelf overgelaten. Als we 't niet meer houden kunnen en terugkeren, worden we onthaald met een scheldwoord en een vloek : tas de lâches! roept men dan ! Een andere schrijft : dat de fout is omdat onze officieren niet voortkomen uit de kaders - 't zijn heren-kinders die nooit aan oorlog hebben gedacht en vol theorie zitten maar verder niets aanhebben tenzij hun gouden epauletten en veel misprijzen voor de eenvoudige piot ! Ze hebben nooit anders gedaan dan sport met peerden- en vrouwenliefhebberij ! - De toon waarop de jongens schrijven is bitter en de ontgoocheling straalt door hun woorden. Ik kan 't me genoeg voorstellen wat ze gevoelen en met welke vreselijke ironie ze hun idealen zien verdwijnen. Neem nu maar een gewone boerenjongen die men van zijn werk roept, die alles moet laten staan om te gaan vechten voor iets waarvan hij de reden of de oorzaak niet raden kan. Men stopt hem vol met grote woorden over: heldenmoed en vaderlandsliefde; hij gaat erin op en geraakt in begeestering totdat hij, in volle strijd, de ondervinding opdoet dat de overheid, in wie hij de incarnatie meende te zullen zien der militaire deugden, aan haar plicht tekort komt en schuilen gaat voor 't gevaar ! Zulk een jongen gevoelt op de stond dat hij gefopt werd en daar het hier staat op leven of dood, laat hij de moed vallen, wordt ongewillig of wanhopig en betracht niets anders dan ermede gedaan te maken ! Wanneer zullen we er eens toe komen een sterk verbond te krijgen van mannen die weigeren te doden, zonder dat 't hun als een lafheid wordt aangerekend ?! Dan misschien zullen de mogendheden naar andere middelen uitzien om hun geschillen te vereffenen, en de algemene moorderij vermeden worden ! Nu en dan voelt een land wel eens de noodwendigheid om de grondwet te herzien, tijd en omstandigheden brengen dat mede, - zou 't niet goed zijn, ook eens, over de hele mensheid de betekenis te herzien en de innerlijke waarde van sommige burgerlijke deugden ?

 

Er zijn woorden waarvan de betekenis door de tijd verandert en verwisselt; zo ook is het gesteld met gevoelens en zedelijke hoedanigheden. Enkele blijven hun innerlijke waarde behouden door de eeuwen heen, waarvan de naam en de zaak overeenkomen; andere echter blijven niets dan hun naam behouden als de innerlijke waarde sedert lang is weggevallen. Alzo sleuren wij dingen mede in onze beschaving die niets zijn dan overblijfselen uit de barbaarsheid, - niets zijn dan nutteloze ballast en idiote anachronismen ! Neem nu maar een feit dat enig is in zijn verschijning : een mijnheer die paradeert met goudborduursel aan de klederen, die een mes draagt langs zijn been en die, al naar gelang hij gouden sterretjes heeft op de mouw, zijn morgue een graad hoger opblaast en daarom al de burgers die geen goudborduursel op de kleren dragen, voor hem doet uit de weg gaan ! 't Is maar omdat we 't zo gewend zijn, dat niemand het belachelijk vindt of barbaars en toch doen de opperhoofden der roodhuiden en der Sioux net het zelfde. De oorlog is misschien een noodzakelijk kwaad, maar dat er in onze tijden en met onze beschaving, mensen in het vak opgeleid worden en er hun eer in stellen, dat is uit de barbarentijd, bij ons overgebleven.

 

Sommige dingen zijn maar goed als men ze van zeer hoog beschouwt of als men er alleen de literatuur van kent. Veel burgers onderander, laten er zich nog door medeslepen; zij jubelen bij elke victorie die wordt aangekondigd en juichen de heldenmoed toe waarmede er gestreden wordt; maar zich een gedacht vormen van de verschrikking en de ijselijkheid of wat het te zeggen is als men in een blad leest : er zijn 10.000 gesneuvelden, of de strijdlijn heeft zich 15 kilometer verplaatst, daar hebben zij geen flauw begrip van en ze denken er niet eens aan - het blijft literatuur voor hen en aan 't blad dat ze in hun hand houden of aan 't berichtje dat hun 't goede nieuws verkondigt, kleeft er gelukkiglijk geen bloed, anders zouden ze omver vallen want zij erbarmen zich en weeklagen soms over 't lot van een muisje dat in de val is gelopen of over een duifje dat men slachten wil ! Er blijft een aureool, een schitterschijn om veel dingen die in hun aard niets anders zijn dan gruwelen - en zoiets is de oorlog. Hij wordt opgesmukt met de blinkendste oripeaus - en 't geen anders in 't gewone leven laak- en strafbaar was, wordt hier als de hoogste menselijke deugd aangerekend. Als het ding maar op een behoorlijke afstand gebeurt, gaat het nog al om er de roes van op te snuiven.

 

Men volgt de handelingen van ver, stelt er belang in als bij 't beslechten van een wedstrijd. Veilig en warm gezeten bij tafel, is men in de weer met landkaarten en kleurvlaggetjes die de stand der verschillende legerkorpsen aanduiden. Men vindt het vervelend als er een hele tijd niets bijzonders gebeurt en men juicht als men ineens de lijn een 100 kilometer mag verplaatsen. Niemand die daarbij denkt wat er gebeurt of wat het te zeggen is - ook voor de brave burgermensen die hun woning, hun have en goed liggen hebben tussen die 100 kilometers. Een stad wordt beschoten of ingenomen. Men is er alleen mede bemoeid te weten of het bericht officieel bevestigd wordt en men stelt zich de uitslag voor als een feest met blijde optocht waar de soldaten als helden begroet, hun blijde intrede zullen doen ... het bloed en de verrotting blijven ginder ver - de lijken worden met aarde bedekt en men zal een prachtig gedenkteken oprichten te hunner nagedachtenis met een opschrift : Aan de moedige strijders die vielen voor het Vaderland !

 

Een nieuw hoofdstuk in de leerboek der kinderen waarbij de meester van de gelegenheid zal gebruik maken om de edele gevoelens te doen ontwaken bij zijn leerlingen opdat zij, aan de ouderdom gekomen, met eer en blakende moed, het erfdeel van hun vaderen gestand, op hun beurt, hun leven zouden offeren en met fierheid ten strijde trekken. En zo gaat het maar door, terwijl men vredepaleizen bouwt en socialisten schreeuwen tegen dienstplicht en de miljoenen die verkwist worden en de jeugdige krachten verlamd door het ministerie van oorlog ! Ik ben maar benieuwd te vernemen hoe onze huidige generatie - de mensen die het théâtre de la guerrevan nabij hebben gezien, hoe die er zullen over spreken ? Hoe zij zullen oordelen over militaire deugden en 't idealisme van de ere-slachterij ? Welke gevoelens het zicht van een parade-regiment bij hen zal uitoefenen ? Hier ter plaats, waar er nog maar alleen mogelijkheid van gevaar is, kan men al raden wat het worden zal ! Men voelt reeds dat 't opperste van 't geen men bezit, - het eigen vel! - bedreigd is ! Hier zouden de mensen al 't geen ze bezitten, en zichzelf ermede, onder de grond wensen om aan de vernieling te ontsnappen ! Men hoopt en men vreest, want 't geen elders gebeurt, kan hier evengoed gebeuren ! Men denkt aan Leuven, Aarschot, Dendermonde, Lier, waar de bewoners ook kalm gebleven zijn en niets vreesden en waar alles nu plat ligt en iedereen op de dompel loopt.

 

Jammer dat de indrukken van smart zogauw vergeten zijn en bij 't eerste vernieuwen van 't normale leven de mensen weer aan hun genoegens gaan, zonder te denken dat 't geen ze eens geleden hebben zich weer opnieuw kan voordoen, zolang de oorzaak der kwaal niet weggenomen wordt ! Men zou denken dat er bij de mensen, natuurlijke grondwetten bestaan, die alleen dienen als eigen straf en waar toch niemand zoekt aan te ontkomen, omdat zij deel uitmaken en vastzitten in de grote, geheimzinnige wereldorde !