Menu

Wo sind die deserteure ?

Wo sind die deserteure ?


Heinrich Böll, 5/3/1953

Op 15 maart 1985 publiceert Nobelprijswinnaar Heinrich Böll een ontroerende Brief an meine Söhne in het weekblad Die Zeit.  Hij vertelt erin hoe hij de de laatste maanden van de Tweede Wereldoorlog overleefde: als deserteur.  Hij heeft misschien wel grote politieke idealen, maar als hij eerlijk is moet hij toegeven dat hij gewoon deserteerde om te overleven.  “Ik wilde leven!”  



In 1953 al publiceerde hij een artikel in het Duitse vakbondsblad voor jongeren Aufwärts “Waar zijn de deserteurs?”  Bij de vertaling uit het Duits was er het probleem van een goede omzetting voor ‘Kamerad’.  Het is een sleutelwoord in de tekst van Böll.  ‘Kameraad’ ligt voor de hand, maar het dekt niet helemaal dezelfde lading.


Waar zijn de deserteurs ?

duizenden hingen in de bomen - de beulen slaan op de trommelen -
waarom zwijgen de overlevenden ?


Overal ter wereld waar Duitse soldaten begraven liggen, zijn er ook graven voor de terechtgestelden, de neergeschoten deserteurs.  Boeren begroeven ze.  Duitse, Franse, Italiaanse boeren begroeven de geschondenen.  Men vermoordde ze nog snel, voor men zich uit de voeten maakte.  Ook al was Hitlers rijk reeds dood, zijn moordmachine liep met Duitse precisie verder.  Bloedige commando’s hadden bruggenhoofden en kruispunten onder controle en doodden, doodden deserteurs.  Ze volbrachten het bloeddorstige, laffe mechanisme, terwijl de ‘kanaalrat’ (zo typeerde Alfred Andersch Hitler in zijn boek ‘Kirschen der Freiheit’) in Berlijn in de val zat en er nagelbijtend over piekerde hoe hij nog zoveel mogelijk mee in de afgrond kon trekken.  

Waar zijn de ouders, de vrienden, de broers en zussen van deze neergeschoten deserteurs wier lijden zich op de drempel van de vrede ophoopte ?  De vermoorden kunnen niet meer spreken.  Ze vielen de moordlust ten offer die bij wet bevolen was en uitgevoerd werd door bereidwillige beulen.  De beulen leven nog.  Die overleven altijd.  Maar waar zijn de deserteurs die hun hachje konden redden ?  Hele legerafdelingen zijn overgelopen.  En niet toevallig verliep de blitz-nederlaag in 1944 veel sneller dan de blitz-overwinning van 1940.  En waar zijn de deserteurs die zich in de verwoeste steden verstopten, in de dorpen en in de bossen ?  Ze wachtten er op de Geallieerden die voor hen de werkelijke bevrijders waren.  De beulen zijn al lang weer boven water gekomen :  ze slaan op de trommelen die vaderland, eer en kameraadschap heten.  Ze trommelen er duchtig op los, vandaag, nu er geen risico meer is.  Van 1945 tot 1950 was dat nog riskant.  Maar nu zijn ze weer de professionele verdedigers van de Dapperheid, van de Eer, van het Vaderland.  Zij overleefden natuurlijk de oorlog en ze roeren opnieuw de grote trom, nagelbijtend wachtend tot het enige dat ze de moeite waard vinden weer aan aanzien wint: de oorlog.

Maar de deserteurs zwijgen.  Hebben ze de de film over de ‘woestijnvos’ niet gezien ?  Die film over het leven van een maarschalk waarin geen dode soldaat voorkomt, geen soldatengraf te zien valt, en waarin Maarschalk Rommel en passant over een strategisch experiment spreekt ?  Hebben jullie je niet afgevraagd hoeveel soldatengraven in een strategisch experiment passen ?  Maar ook de ouders, de broers, de zussen en de vrienden van de neergeschoten deserteurs zwijgen.  Hebben ze angst voor de parolen die hen zijn ingeprent: eed op de vlag, vaderland en kameraadschap ?

In zijn boek ‘Kirschen der Freiheit’, een autobiografie van een deserteur, wijdt Alfred Andersch telkens een hoofdstuk aan de begrippen Eed en Kameraad.  Hij beschrijft nauwkeurig wat eenieder die tot de eed op de vlag gedwongen werd, onbewust ervaren heeft, namelijk dat een eed voor God die opgelegd werd door iemand die niet in God geloofde, dat een eed die men moest afleggen onder doodsbedreigingen, geen bindende eed kan zijn.  Het boek van Andersch is een weldaad voor elkeen die na 1933 niet ophield met denken.   Het boek is autobiografisch en symptomatisch voor een generatie die in 1933 pas was begonnen met nadenken en toen al denkend in de machinerie van het Hitler-regime terechtkwam en daarna moest verder denken temidden van het stupide oorlogsgedoe.  Voor een denkende kan de veelgeprezen ‘laatste-sigaret-kameraadschap’ geen alternatief zijn voor een vrij humaan leven.  En een ‘goede kameraad’ is geen synoniem voor een ‘goed mens’, maar een ‘goed mens’ is wel altijd een ‘goede kameraad’.  

Al dat hadden de ‘fanatiekelingen van de kameraadschap’ toch al lang moeten opmerken.  En is hen nog niet opgevallen dat het simpele soldatenvoetvolk het woord ‘kameraad’ met een ironische bijklank gebruikt ?  Tijdens de Eerste Wereldoorlog had het nog een romantische kleur (“Waar ben je, kameraad?”).  Maar ondertussen ruikt het woord kameraad (of we dat nu willen of niet) altijd een beetje naar kazerne, naar mannenbond.  Hebben die fanatici dat nog niet gemerkt ?  Of verlangen ze daar juist naar ?  Andersch heeft het een heel hoofdstuk lang over ‘kameraden’ en beklemtoont dat hij walgt van hun domme en gemakzuchtige meeloperij.  De Duitse Soldatenkrant voert naar eigen zeggen kameraadschap hoog in het vaandel.  Ze doet dan ook het boek van Andersch als onbelangrijk af, maar bespreekt het dan toch uitvoerig.  Als bewijs voor de grootsheid van de kameraadschap toont ze een foto van vier soldaten die een verwonde kameraad wegdragen.  Maar de truc met deze ‘ultieme foto’ werkt niet.  Om een gewonde mee weg te dragen is toch echt maar een minimum aan menselijkheid nodig, en dat zou dan het bewijs voor de hooggeprezen kameraadschap moeten zijn ?  En wie heeft de foto gemaakt ?  Die was namelijk niemand aan het wegdragen …  Humaan met elkaar omgaan is meer dan kameraadschappelijke omgang.  Wie naar een passend woord op zoek is, weet dat de mens niet van het delen van een laatste sigaret of van het laatste stuk brood alleen leeft.  En ook niet van gezamenlijk gezongen liederen.  Nadat de gewonde is weggedragen, herbegint de zwaarmoedige eenzaamheid.  En daar helpt de kameraadschap niets bij.  

De schrijver van de bespreking van Alfred Andersch’ boek had de moed niet om zijn naam onder het artikel in de Soldatenkrant te zetten.  Maar hij bedenkt Andersch wel met de woorden gespuis, verrader, emigrant, asociaal (Jood heeft hij er niet nog niet aan toegevoegd, maar weldra kan weer zo ver zijn).  We moeten attent zijn, als we zulke woorden horen.  Ze passen in het woordenboek van beulen,.  Gespuis en asocialen werden vergast.  En de meeste emigranten zijn Joden.  Er werden er 6093000 vermoord.

Het aantal vermoorde deserteurs is onbekend.  Ze stierven op de drempel van de vrijheid en werden meegesleurd in de bloedige storm van de kanaalrat.  Maar waar zijn de overlevende deserteurs ?  Degene die erin geslaagd zijn om de “Kersen der Vrijheid” te plukken ?


Böll, Heinrich: Wo sind die Deserteure? In: Aufwärts, Jugendzeitschrift des Deutschen Gewerkschaftsbundes, 5.3.1953, S. 1 2