Menu

Oorlogsweigering als vredesstrategie?

Oorlogsweigering als vredesstrategie?

Het woord 'Waanvlucht' roept sterk de sfeer op van vluchten voor de waanzin van oorlog, het plaatst de gekende term 'vaandelvlucht' niet in de categorie van een laffe daad maar in die van concrete actie om met oorlog en geweld te breken. Het heeft een sterk morele klank. De ondertitel van dit project waar desertie.be deel van uitmaakt verwijst naar de oorlogsweigering als mogelijke vredesstrategie. Ethiek en politiek, dus. Enkele korte bedenkingen.



Het bij het grote publiek bekendste fenomeen van oorlogsweigeren betreft de gewetensbezwaarde die weigert in het leger te dienen. Dat is wat we vandaag in Israël zien, bijvoorbeeld. Dat is wat we vroeger kenden in België in vredestijd, vóór de afschaffing van de wettelijk verplichte dienstplicht in 1995 onder minister van defensie Leo Delcroix. De gewetensbezwaarde moest bij ons toen een burgerdienst presteren gedurende een periode die het dubbele was van de militaire dienstplicht. Niet iedereen vond dit aanvaardbaar: een aantal mensen wilden hun principiële, fundamentele afkeer van leger, oorlog en geweld op zich erkend zien, en wilden daar geen 'straf' moeten voor uitdoen. De totaalweigeraars.

Oorlogsweigering kan vanuit ethische, morele principes worden verantwoord en/of ook vanuit politieke keuzes. “Ik wil niet in een bezettingsleger dienen”, zeggen vele refuseniks in Israël. Ze willen niet bijdragen tot een – in hun ogen – gemilitariseerd, onrechtvaardig en politiek fout beleid.  Sommigen kunnen het gewoon moreel niet verantwoorden dat ze zouden participeren aan een structuur die als doel heeft andere mensen te doden. In de aanloop naar de Eerste Wereldoorlog waren die verschillende verantwoordingen ook aanwezig.

Er zijn heel wat soldaten die bij het dagelijks ervaren van de gruwel en de ellende van de oorlog niet langer deel konden of wilden uitmaken van die waanzin. Ze staan bekend als deserteurs en worden vlotjes als landverraders gelabeld. De huidige controverse rond de gevangenenruil tussen VS-soldaat Bergdahl en Afghaanse gevangenen uit Guantanamo is een duidelijk voorbeeld van de stelling dat 'wie zijn post verlaat, een verrader is'. Maar ook in de eerste wereldoorlog werd er 'gedeserteerd'. Er werden 11 deserteurs gefusilleerd in het Belgisch leger.

Honderd jaar geleden ijverden heel wat marxisten tegen de oorlog omdat ze meenden dan de 'arbeiders' of het 'proletariaat' niets van doen hadden met een militaire confrontatie tegen hun klassegenoten uit een ander land in een oorlog tussen kapitalistische, imperialistische staten. Ook het antimilitarisme van Ferdinand Domela Nieuwenhuis had alles van doen met “de arbeider heeft niets te winnen bij de oorlog”. Socialisten waren tegen een militaire structuur die de burgerij beschermt. Er was tevens een wijd verspreide pacifistische stroming die vooral inzette op internationaal recht om conflicten tussen landen op te lossen. Een van de voorvechters hiervan was Henri La Fontaine, Belgisch socialistisch senator en winnaar van de Nobelprijs voor de Vrede in 1913. Er waren ook groepen als de Bond van Christen-Socialisten die opriepen om het geweten te volgen in plaats van bevelen.
 
Die individuele daad om te weigeren aan een legerstructuur mee te werken heeft niet alleen een hoog symboolgehalte, maar tevens een zeer sterke signaalfunctie en een ethische appèlkracht naar de samenleving toe. Let op, het vroeg ook enorm veel moed en een ongelooflijke doorzetting om dergelijk concreet protest te realiseren. Dat zal in deze blog nog wel geregeld uitvoerig aan bod komen.  Deze appélkracht wordt op zich een politiek gegeven omdat de dienstweigering de maatschappij als het ware een spiegel wil voorhouden en vraagt positie te kiezen. De oorlogsweigering zelf 'derangeert', interpelleert, straalt rebellie uit en morele kracht. Dit werd en wordt wellicht niet altijd sterk genoeg door andere maatschappelijke spelers als dusdanig gepercipieerd. De sterkte als politiek gegeven van dienstweigering, wordt vooral bepaald door de wijze waarop gereageerd wordt in de samenleving, en de omvang van die reactie. Dienstweigering wordt dus een politiek maatschappelijke kracht als het de individuele daad kan 'collectiviseren', als erover gepraat en gediscussieerd wordt in het publiek, als er een verbreding van het draagvlak hiervoor kan gecreëerd worden, als er beweging rond ontstaat om de antimilitaristische ideeën te verspreiden. Dat is niet altijd evident. Het is vooral ook niet makkelijk om de zaak van oorlogsweigeraars sterk in de persaandacht te krijgen en/of te houden. Het gaat immers om een erg 'storend' signaal dat ongemakkelijk maakt en waarop in eerste instantie gereageerd wordt met criminalisering (door overheid en justitie), met morele afkeer (“lafaards” in de algemene opinie), en met isolering, met name het zoveel mogelijk doodzwijgen ervan.

Deze zeer concrete vorm van oorlogsweigering door de burger wordt een actief onderdeel van een vredesstrategie in die mate dat het gebeuren zelf voldoende publieke gekendheid verwerft, en er in slaagt tot een interpellerende kracht te ontwikkelen waarop samenlevingsgroepen inspelen.

Deze vorm van oorlogsweigering – het weigeren deel uit te maken van een militaire structuur – is in tijden van beroepslegers zo goed als onbestaande geworden. Jongeren kunnen niet meer weigeren deel te nemen aan de (voorbereiding van) oorlog, want ze worden niet meer gevraagd. Er zijn natuurlijk nog altijd heel wat landen waar de dienstplicht wel nog in voege is. In de EU zijn dat : Cyprus, Denemarken, Estland, Finland, Oostenrijk en Griekenland. Deze veroordeling van oorlog als middel van een staat om een bepaald beleid, een bepaalde strategische doelstelling te bereiken, kan best nog de wens van menigeen zijn, maar kan vandaag in zoveel landen dus niet meer in een allerzuiverste vorm – weigeren in het leger te dienen – worden geuit.

Maar ook wie als individu niet direct wordt opgeroepen om concreet deel te nemen aan oorlog(svoorbereidingen), kan overtuigd anti-oorlog zijn, natuurlijk. De oorlogsweigering in landen zonder dienstplicht vertrekt nog altijd van de individuele keuze van elkeen.  Ze zal zich echter anders moeten manifesteren. Daar waar de dienstweigering nog een 'vuurtorenfunctie' vervult, zal de individuele anti-oorlogswil van de burger in landen met beroepslegers  andere uitingen moeten vinden om aan maatschappij-beïnvloeding te kunnen doen. Vandaag vertaalt de oorlog zich voor ons voornamelijk in enerzijds een permanente dreiging van het Westen om de strijd tegen het terrorisme te blijven militariseren, en anderzijds in militaire interventies onder een humanitaire dekmantel daar waar het Westen het nodig acht. Lees waar westerse belangen op het spel staan.  Hier heeft de idee van oorlogsweigering, denk ik, nog meer nood aan 'onmiddellijke collectivisering' dan de  beslissing van de dienstweigeraar.  Wie als tegenstander van oorlog niet deel kan worden van een 'beweging' zal moeilijk de publieke opinie en de politieke structuren kunnen beïnvloeden. De opbouw van brede anti-oorlogsbewegingen is een noodzaak.

Er is echter ook het fenomeen van de interne oorlogen in bepaalde landen zelf. Elke wapen dat in smokkel en illegale handel is betrokken vertrok ooit uit de wapenfabriek als een legale transactie. De oorlogsweigering zal zich voor deze vorm ook duidelijk op het politiek maatschappelijk veld moeten begeven om bijvoorbeeld de internationale wapenhandel aan banden te leggen.

Bovenstaande benadering betreft voornamelijk een korte zoektocht naar het maatschappelijk impact van de concrete legerdienstweigering.  In een latere bijdrage wil 'k wat meer kijken hoe weigering van legerdienst en oorlog zich verhouden tot de idee dat 'vrede meer is dan afwezigheid van oorlog'.